Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 december 2019
[appellant],
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“(…) De huurder betaald geen borg, en heeft dus geen recht eventueel iets terug te eisen.”
in conventiein zoverre toegewezen dat de huurovereenkomst is ontbonden en dat [appellant] is veroordeeld tot betaling van € 11.474,- te vermeerderen met wettelijke rente. [appellant] is voorts in de kosten van het geding veroordeeld.
In reconventieheeft de kantonrechter [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij in 2002 een bedrag van € 10.000,- aan borg heeft voldaan aan de vader van [geïntimeerde] (hierna ook: [vader geïntimeerde]). Nadat getuigen zijn gehoord heeft de kantonrechter bij eindvonnis in reconventie van 30 oktober 2017 de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de kosten van het geding veroordeeld.
grieven I tot en met IVrichten zich tegen de waardering van het getuigenbewijs door de kantonrechter. [appellant] voert aan dat hijzelf als getuige en de getuige [getuige 1] duidelijk hebben verklaard dat er een bedrag van € 10.000,- is betaald. Deze verklaringen moeten volgens [appellant] prevaleren boven de verklaring van [geïntimeerde] ([vader geïntimeerde]). Uit de verklaring van de zoon en dochter van [appellant] volgt dat zij wetenschap hebben van de betaling van de borg. Dat zij niet bij de betaling aanwezig waren is dan volgens [appellant] van minder belang. In grief III voert [appellant] aan dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de huurovereenkomst wel meer slordigheden bevatte, zodat het feit dat daarin is opgenomen dat er geen borg is betaald niet doorslaggevend moet worden geacht. In grief IV voert [appellant] aan dat de kantonrechter er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat hij de Nederlandse taal niet machtig is. Met
grief Vbetoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft meegewogen dat de heer [A] en mevrouw [B] schriftelijk hebben verklaard dat [geïntimeerde] het bedrag van € 10.000,- aan [appellant] zou terugbetalen.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2017;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 318,- aan verschotten en € 759,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.