In deze civiele zaak staat het geschil centraal over de vergoeding die een architect mag ontvangen voor werkzaamheden aan een woningverbouwing die tijdens het project aanzienlijk werd gewijzigd. De oorspronkelijke offerte betrof een vaste prijs voor een uitgebreide verbouwing, maar de opdrachtgever besloot later tot een minder ingrijpende verbouwing. De architect bracht daarop meerwerk in rekening op basis van een uurtarief, zonder voorafgaand overleg met de opdrachtgever.
De kantonrechter wees de vordering van de architect grotendeels toe, maar het hof vernietigt dit vonnis deels. Het hof oordeelt dat de architect recht heeft op een redelijke vergoeding, maar dat het declareren op basis van een uurtarief zonder voorafgaand overleg niet aanvaardbaar is. De urenstaat is bovendien betwist door de opdrachtgever.
Het hof stelt het redelijke loon schattenderwijs vast, waarbij een korting wordt toegepast op de factuur voor meerwerk. De totale verschuldigde vergoeding wordt vastgesteld op € 12.208,50 exclusief BTW, met wettelijke rente. De grieven van de opdrachtgever slagen daarmee deels, terwijl de grieven van de architect in het incidenteel appel worden afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten.