ECLI:NL:GHDHA:2019:296

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 januari 2019
Publicatiedatum
15 februari 2019
Zaaknummer
22-005177-17
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 23 Wetboek van StrafrechtArt. 24 Wetboek van StrafrechtArt. 24c Wetboek van StrafrechtArt. 63 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens rijden onder invloed met bovenmatige alcoholconcentratie

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete van €550,- subsidiair 11 dagen hechtenis wegens het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 260 microgram per liter uitgeademde lucht, wat hoger is dan de wettelijke limiet van 220 microgram.

In hoger beroep betwistte de raadsman de rechtmatigheid van de ademanalyse, stellende dat er geen redelijk vermoeden was dat de verdachte kort daarvoor had gereden. Het hof oordeelde echter dat de aanhouding en ademanalyse rechtmatig waren, gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte werd aangetroffen bij een beschadigde auto, de verklaring van de betrokkenen en het feit dat de verdachte de autosleutel bij zich had.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voertuig bestuurde onder invloed van een bovenmatige hoeveelheid alcohol. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en legde een geldboete van €420,- op, subsidiair 8 dagen hechtenis, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €420,- subsidiair 8 dagen hechtenis wegens rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 260 microgram.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005177-17
Parketnummer: 96-237476-16
Datum uitspraak: 24 januari 2019
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 november 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Jordanië) op [geboortejaar] 1992,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 10 januari 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 550,- subsidiair 11 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 19 november 2016 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 260 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Rechtmatigheid van de ademanalyse
De raadsman heeft bepleit dat de resultaten van de ademanalyse van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu deze ademanalyse heeft plaatsgevonden zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden dat de verdachte kort hiervoor een auto had bestuurd.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt en stelt aan de hand van het proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Rotterdam met nummer PL1700-2016376316-8 d.d. 20 november 2016 het navolgende vast. Op 19 november 2016 wordt omstreeks 7:26 uur op de Nikkelstraat te Rotterdam door de verbalisanten een stilstaande personenauto, Mazda 5, aangetroffen, met voor die auto een paal met een verkeersbord plat op de grond. De verbalisanten constateren verder dat een deel van het hekwerk van de Roteb op de grond ligt en verbogen is. Rond de personenauto worden drie mannen aangetroffen. Één van deze mannen blijkt de verdachte. De mannen verklaren dat hun auto gestolen zou zijn vanaf het parkeerdek van [x] te Rotterdam, volgens Google Maps 2,3 km verderop, en dat zij vervolgens achter hun auto aan zijn gerend en deze vervolgens beschadigd aan hebben getroffen. De verbalisanten constateren dat de mannen niet buiten adem zijn, maar wel enigszins onvast ter been zijn, door het vermoedelijke inwendig gebruik van alcohol.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er op dat moment voldoende verdenking was van overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 door minimaal één van de mannen en is de aanhouding van alle drie om vast te kunnen stellen wie de bestuurder was geweest rechtmatig geweest. Op grond hiervan is ook de daarop volgende ademanalyse rechtmatig geweest. Daar komt nog bij dat de verdachte op 19 november 2016 om 09.10 uur is voorgeleid en dat bij hem in de fouillering de sleutel van de Mazda 5 is aangetroffen. Na het eerste contact op 19 november 2016 om 07.29 uur is het bevel ademanalyse pas om 10.22 uur gegeven. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op
of omstreeks19 november 2016 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 260 microgram
, in elk geval hoger dan 220 microgram,alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft onder invloed van een bovenmatige hoeveelheid alcohol een auto bestuurd. Zodoende heeft de verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 420,00 (vierhonderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,
mr. A.M.P. Gaakeer en mr. M. Pheijffer, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2019.
Mr. M. Pheijffer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.