ECLI:NL:GHDHA:2019:2790
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verdeling huwelijksgoederengemeenschap en bewijs schuld geldlening ouders
Partijen zijn in 2007 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en in 2011 gescheiden. De rechtbank had de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, maar de man was het niet eens met de wijze van verdeling en ging in hoger beroep. Hij stelde dat hij een schuld van €375.000,- aan zijn ouders had, die deel uitmaakte van de gemeenschapsschuld, en betwistte de waarde van de inboedel en het bestaan van een spaarrekening van de vrouw.
De man bracht schriftelijke bewijsstukken in, waaronder een schuldbekentenis uit 2002, en liet getuigen horen, maar het hof oordeelde dat dit bewijs onvoldoende was. De schuldbekentenis ontbrak het vereiste goedschrift en getuigenverklaringen waren inconsistent en onduidelijk over de leningsovereenkomst. Een verklaring van de moeder werd niet als bewijs meegenomen omdat zij niet als getuige kon worden gehoord.
Het hof wees het bewijsaanbod van aanvullend bewijs af omdat het niet ter zake dienend was en bevestigde dat de man niet had bewezen dat de schuld aan zijn ouders bestond. Ook de grief over de waarde van de inboedel en de spaarrekening werden verworpen. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het bewijs van de schuld aan ouders af wegens onvoldoende bewijs.