ECLI:NL:GHDHA:2019:2779
Gerechtshof Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot voortzetting voorlopige hechtenis en gelasten onmiddellijke invrijheidstelling
De rechtbank Den Haag had de verdachte aanvankelijk in voorlopige hechtenis gesteld wegens voorbereidingshandelingen met betrekking tot verdovende middelen, maar later vrijgesproken voor dat feit en veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie. De voorlopige hechtenis bleef echter voortduren, hoewel deze alleen betrekking had op het feit waarvoor de verdachte was vrijgesproken.
De advocaat-generaal vorderde bij het gerechtshof Den Haag de gevangenneming van de verdachte op grond van artikel 66a en artikel 75 van Pro het Wetboek van Strafvordering, kort voor de aanvang van het hoger beroep. Het hof heeft de vorderingen in raadkamer behandeld, waarbij de verdachte niet wenste te worden gehoord.
Het hof oordeelde dat geen grond bestond voor voortzetting van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 66a, omdat de rechtbank de voorlopige hechtenis had moeten opheffen na de vrijspraak. Ook de vordering op grond van artikel 75 werd Pro afgewezen, omdat het belang van de verdachte om het hoger beroep in vrijheid af te wachten zwaarder woog dan het belang van voortzetting van de voorlopige hechtenis, mede vanwege het blanco strafblad en het ontbreken van een rechtstreeks slachtoffer.
Daarom wees het hof de vorderingen af en gelastte onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
Uitkomst: De vorderingen tot voortzetting van de voorlopige hechtenis worden afgewezen en onmiddellijke invrijheidstelling gelast.