Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 29 oktober 2019
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[naam] ,
appellant,
nader te noemen: [appellant] ,
[de VvE],
hierna te noemen: de VvE,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De procedure in eerste aanleg voor de kantonrechter in de rechtbank Den Haag
“Feiten1. Gedaagde ontkent al hetgeen dat in de inleidende dagvaarding is gesteld en naar voren is gebracht behoudens voor zover uit het hierna volgende het tegenovergestelde blijkt.Juridisch kader2. Eiseres maakt door gedaagde te dagvaarden misbruik van haar procesrechtelijke bevoegdheid. Derhalve dient haar vordering te worden afgewezen.MET CONCLUSIEDat het de Rechtbank behage de vordering van eiseres af te wijzen althans haar niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren met veroordeling van eiseres in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na het te dezer zake te wijzen vonnis.”
De grieven
Beoordeling van de grieven
Uitgangspunt van de wetgever is dat de civiele procedure zo efficiënt en voortvarend mogelijk verloopt. Dit betekent dat partijen de kaarten meteen op tafel moeten leggen, zodat het geschil sneller helder is en er sneller kan worden beslist. Dit uitgangspunt is onder meer neergelegd in artikel 128 Rv Pro. Blijkens lid 3 hiervan moeten in beginsel meteen bij conclusie van antwoord alle principale verweren en excepties worden aangevoerd. Bij gebreke hiervan vervalt het recht van gedaagde om dit later nog te doen. De conclusie van antwoord moet dus ‘met redenen omkleed’ (gemotiveerd) zijn. Dit betekent dat gedaagde meteen bij conclusie van antwoord, behoudens bijzondere omstandigheden/uitzonderingen, alles moet aanvoeren wat hij voor zijn verweer van belang vindt. Bij dit uitgangspunt hoort ook dat gedaagde eventuele schriftelijke stukken meteen in het geding brengt, althans in ieder geval tijdig voorafgaande aan de ingevolge artikel 131 Rv Pro bevolen comparitie (mondelinge behandeling).
Slotsom
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, van 12 oktober 2017;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de VvE tot op heden begroot op € 726,-- aan verschotten en € 2.148,-- aan salaris advocaat.