ECLI:NL:GHDHA:2019:2433
Gerechtshof Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken advocaatondertekening
In de hoofdzaak met kenmerk 200.238.097/01, waarin verzoekers als appellanten optreden tegen de Staat der Nederlanden, is op 25 maart 2019 een pleidooi gehouden. Op 20 mei 2019 hebben verzoekers een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van het hof die het pleidooi behandelden. Dit verzoek werd niet ondertekend door een advocaat, terwijl in deze procedure verplichte procesvertegenwoordiging geldt.
Het hof heeft verzoekers de mogelijkheid geboden het verzuim te herstellen door alsnog een advocaat te laten ondertekenen, met een termijn tot 12 juli 2019. Verzoekers hebben echter nagelaten hieraan te voldoen. Het hof heeft daarom zonder mondelinge behandeling besloten verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren in het wrakingsverzoek.
Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag op 4 september 2019 en bevestigt dat schriftelijke verzoeken in procedures met verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat moeten worden ondertekend om ontvankelijk te zijn.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening.