ECLI:NL:GHDHA:2019:1865

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
22-001327-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens mishandeling met geldboete en voorwaardelijke hechtenis

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf en voorwaardelijke hechtenis wegens mishandeling van aangeefster op 27 december 2017 in 's-Gravenhage. In hoger beroep bevestigt het hof de bewezenverklaring dat verdachte aangeefster heeft mishandeld door haar te slaan en/of te stompen tegen het hoofd.

De bewijslast werd gedragen door de consistente verklaring van aangeefster, ondersteund door een getuige die haar huilend en schreeuwend zag na het incident, en door medische rapporten die letsel aan het gezicht bevestigen. De verdediging stelde dat de verklaringen onbetrouwbaar waren, maar het hof verwierp dit verweer.

Het hof achtte een geldboete van €600 passend, waarvan €400 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en legde subsidiair twaalf dagen hechtenis op. Een contactverbod werd niet opgelegd vanwege de gezamenlijke school en het ontbreken van contact tussen partijen. Voorarrest werd verrekend op de geldboete.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €600, waarvan €400 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en subsidiair twaalf dagen hechtenis wegens mishandeling.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001327-18
Parketnummer: 09-260833-17
Datum uitspraak: 26 juni 2019
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 27 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1995,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op 3 januari 2019 en 12 juni 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde als nader in het vonnis vermeld.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 december 2017 te 's-Gravenhage, [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van gronden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet helemaal verenigt, met name niet met de strafoplegging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks27 december 2017 te 's-Gravenhage, [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, te slaan
en/of te stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden als vermeld in de overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs gebruikt mogen worden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Aangeefster heeft tegenover de politie en de raadsheer-commissaris consistent verklaard dat de verdachte haar, in de auto, tegen de linkerzijde van haar hoofd heeft geslagen. Deze verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft een toevallige passant ([getuige]) verklaard dat zij een auto zag stoppen op de rijbaan, waarna zij een jonge vrouw (het hof begrijpt: aangeefster) zag en haar hoorde huilen en schreeuwen. Deze jonge vrouw zei meteen daarop tegen haar dat ze door haar ex‑vriend was geslagen. De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen, heeft waargenomen dat de linkerzijde van het gezicht van aangeefster enigszins gezwollen was.
In de geneeskundige verklaring is vermeld dat aangeefster een bult en blauwe plek boven haar linker wenkbrauw heeft, een lichte zwelling onder haar linkeroog en een minimale zwelling bij haar linker kaaklijn.
Gelet hierop, acht het hof de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Indien zou moeten worden aangenomen dat aangeefster niet de waarheid heeft verteld door te zeggen dat zij niet werd geslagen door haar familie, ligt dat naar het oordeel van het hof niet anders (daarvoor kunnen immers invoelbare redenen zijn), en rechtvaardigt dat niet de veronderstelling dat aangeefster een onjuiste aangifte tegen de verdachte heeft gedaan.
Het hof verwerpt derhalve het gevoerde verweer.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Het hof is - alles afwegende – en gelet op het feit dat de verdachte niet eerder onherroepelijk wegens enig strafbaar feit is veroordeeld - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt, mede gelet op de Richtlijnen straftoemeting op dit punt.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Het hof zal anders dan door de rechtbank is gedaan en gevorderd door de Advocaat-Generaal geen contactverbod opleggen. De verdachte en aangeefster volgen op dezelfde school dezelfde opleiding, een dergelijk verbod zal daardoor flinke consequenties hebben, nog daargelaten de problemen bij de handhaving van het verbod.
Ter terechtzitting in hoger beroep is daarbij gebleken dat, hoewel de verdachte en aangeefster elkaar hierdoor op school met regelmaat tegenkomen, enig onderling contact tot op heden is uitgebleven. De school is bovendien van de situatie op de hoogte en tijdens de lesuren zitten zij ieder aan een andere kant van het klaslokaal. Gelet hierop ziet het hof – met de verdediging - onvoldoende grond voor een contactverbod.
Om de verdachte er ook in de toekomst voor te behoeden dat hij zich wederom aan enig strafbaar feit schuldig zal maken, zal het hof de op te leggen geldboete grotendeels in voorwaardelijke vorm, als stok achter de deur, opleggen. Het ondergane voorarrest zal worden verrekend op de wijze als in het dictum aangegeven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
12 (twaalf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,
mr. A.S.I. van Delden en mr. A.M.M. Vingerling, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juni 2019.