ECLI:NL:GHDHA:2019:1827

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
2200031018
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WVW94Art. 13, tweede lid, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 378a SvArt. 412 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken mededeling recht op tegenonderzoek bij rijden onder invloed

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor rijden onder invloed van cannabinoïden op 25 januari 2015 te Pijnacker. Bij hem werd bloed afgenomen waaruit THC en 11-OH-THC werden vastgesteld, stoffen die de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden.

In hoger beroep stelde het hof vast dat de verdachte niet was gewezen op het recht om een tegenonderzoek te laten verrichten, een recht dat onder de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer strikt is gewaarborgd. Hierdoor kon het bloedonderzoek niet als een geldig 'onderzoek' worden aangemerkt en kon het resultaat niet als bewijs worden gebruikt.

Bij gebrek aan toereikend wettig bewijs vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag op 10 juli 2019.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken mededeling recht op tegenonderzoek, waardoor bloedonderzoek niet als bewijs geldt.

Uitspraak

PROMIS
Rolnummer: 22-000310-18
Parketnummer: 96-182331-17
Datum uitspraak: 10 juli 2019
VERSTEK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Suriname) op [dag] 1968,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 26 juni 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Op de voet van artikel 412 van Pro het Wetboek van Strafvordering heeft de voorzitter bevolen dat de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 25 januari 2015 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten,
- THC, stof(groep): Cannabinoïden, concentratie/resultaat: 0,020 milligram per liter bloed, en/of
- 11- OH-THC, stof(groep): Cannabinoïden, concentratie/resultaat: 0,0071 milligram per liter bloed, en/of
- THC-COOH, stof(groep): Cannabinoïden, concentratie/resultaat: aangetoond,
waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een/meer andere stof(fen) - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
De verdachte is blijkens het proces-verbaal ‘rijden onder invloed’ op 25 januari 2015 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet. Bij de verdachte is bloed afgenomen voor bloedonderzoek.
Uit onderzoek van het NFI (rapport d.d. 10 februari 2015) is gebleken dat het bloed van de verdachte de stoffen THC en 11-OH-THC bevatte en dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig was beïnvloed door de aangetoonde stof THC.
De verdachte is niet gewezen op het recht op een tegenonderzoek (thans vastgelegd in artikel 13, tweede lid, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer). De verplichting tot mededeling van dat recht op een tegenonderzoek moet worden gerekend tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede en derde lid, WVW 1994 is omringd. Hieruit volgt dat als een verdachte niet is gewezen op het recht om een tegenonderzoek te doen verrichten, het onderzoek niet kan gelden als een ‘onderzoek’ in de zin van genoemde bepaling en dat de resultaten van het bij de verdachte afgenomen bloedonderzoek niet kunnen bijdragen aan het bewijs.
Bij gebrek aan toereikend wettig bewijs zal verdachte, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2019.
Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.