ECLI:NL:GHDHA:2019:1820
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging verdeling eenvoudige gemeenschap na beëindiging samenleving
Partijen hebben samengewoond en zijn in 2000 een samenlevingsovereenkomst aangegaan, die in mei 2017 eindigde. Er ontstond onenigheid over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap, waaronder een woning, een auto, inboedel en banktegoed. De rechtbank Rotterdam wees op 19 december 2018 een vonnis waarin het aandeel van de vrouw in de woning aan de man werd toegedeeld onder de voorwaarde dat de man de hypotheekschuld draagt en de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid.
De vrouw kwam in hoger beroep en verzocht in een incident om schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Zij stelde dat het vonnis juridisch of feitelijk onjuist was, dat zij financieel niet in staat was het verschuldigde bedrag ineens te betalen en dat de man misbruik maakte van zijn bevoegdheid tot executie. De man betwistte dit en voerde onder meer aan dat de vrouw onvoldoende belang had bij schorsing en dat de vordering onvoldoende was onderbouwd.
Het hof overwoog dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt dat haar belang bij schorsing zwaarder woog dan dat van de man. Het hof hechtte belang aan het feit dat de vrouw een bedrag van € 70.986,77 van de gezamenlijke rekening naar haar eigen rekening had overgemaakt en dat zij dit bedrag moet terugbetalen. De kans van slagen van het hoger beroep wordt bij de beoordeling van het incident buiten beschouwing gelaten. Het hof wees het verzoek tot schorsing af en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis af en compenseert de kosten van het incident.