ECLI:NL:GHDHA:2019:1078
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over betaling en aansprakelijkheid na ontbinding vennootschap onder firma
In deze civiele zaak vordert de vennootschap onder firma (vof) betaling van een aanbetaling van €26.150,40 die zij had gedaan aan een bankrekening van de geïntimeerde, naar aanleiding van een overeenkomst tot levering van bier. De vof was inmiddels ontbonden, maar het hof oordeelt dat dit het voortbestaan voor vereffening niet belemmert.
De rechtbank had in eerste aanleg de vordering tegen de geïntimeerde afgewezen omdat de primaire vordering tegen de andere partij toewijsbaar was. In hoger beroep betoogt de vof dat zij onverschuldigd heeft betaald en dat de geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld door het ter beschikking stellen van haar bankrekening aan haar zoon, die de levering niet nakwam.
Het hof oordeelt dat de betaling niet zonder rechtsgrond was omdat de overeenkomst met de zoon was en betaling op de rekening van de geïntimeerde was overeengekomen. Ook is onvoldoende gesteld om onrechtmatigheid aan te nemen. De vordering faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. De vof wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vennootschap onder firma wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.