ECLI:NL:GHDHA:2018:975
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens verjaring bedreiging
In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de verdachte beschuldigd van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht op of omstreeks 15 februari 2010 in 's-Gravenhage. De verdachte zou dreigend een broodmes hebben vastgehouden en daarbij woorden van bedreiging hebben uitgesproken.
De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, met aftrek van voorarrest. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld door de verdachte.
Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft de advocaat-generaal namens het Openbaar Ministerie gevorderd dat het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering, zoals bepaald in artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdediging onderschreef dit standpunt.
Het hof overwoog dat de verjaringstermijn voor het ten laste gelegde misdrijf zes jaren bedraagt en dat de laatst aangevangen verjaringstermijn begon op 22 februari 2011, toen een verstekmededeling werd geprobeerd te betekenen maar niet aan de verdachte werd uitgereikt. Sindsdien is meer dan zes jaar verstreken zonder verdere vervolgingshandelingen.
Daarom is het recht tot strafvordering vervallen door verjaring en verklaart het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht.
Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens verjaring van het recht tot strafvordering.