[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1964,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 13 december 2017 en 24 januari 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 februari 2012 op de Westerschelde, althans binnen de territoriale wateren van Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in een container op een schip op weg naar de haven van Antwerpen), al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 december 2011 tot en met 10 februari 2012 te Rotterdam en/of Capelle aan de IJssel en/of Krimpen aan de IJssel en/of Bergen op Zoom althans in Nederland en/of Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit/die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk
- een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of
- een loods ([x] te Antwerpen) gehuurd voor de aflevering en/of opslag van voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of vracht waarin de cocaïne was verborgen en/of
- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd en/of geregeld ten behoeve van het transport van voornoemde hoeveelheid cocaïne.
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest en voorts dat het hof bij eindarrest de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet helemaal verenigt.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks3 februari 2012 op de Westerschelde,
althans binnen de territoriale wateren van Nederland,tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in een container op een schip op weg naar de haven van Antwerpen), al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij
op één of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 26 december 2011 tot en met 10 februari 2012
te Rotterdam en/of Capelle aan de IJssel en/of Krimpen aan de IJssel en/of Bergen op Zoom althansin Nederland en/of
Antwerpen, althansin België, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen,
verkopen,afleveren
, verstrekkenen/of vervoeren van ongeveer 1243 kilogram cocaïne, althans een grote (handels)hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander
(en
)heeft getracht te bewegen om dat feit
/die feiten te plegen, te doen plegen,mede te plegen,
uit te lokken en/ofom daarbij behulpzaam te zijn en
/ofom daartoe gelegenheid, middelen en
/ofinlichtingen te verschaffen, en
/of
- zich en
/of een ander ofanderen gelegenheid en
/ofmiddelen en
/ofinlichtingen tot het plegen van dat
/diefeit
(en)heeft trachten te verschaffen, en
/of
-
voorwerpen en/ofvervoermiddelen
en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en
/ofzijn mededader
(s
)wist
(en
) of ernstige reden had(den) te vermoedendat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader
(s
), tezamen en in vereniging met elkaar,
althans ieder voor zich,toen en daar opzettelijk
-
een of meerontmoeting
(en
)gehad met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en
/of
-
een of meertelefoongesprek
(ken
)gevoerd en/of berichten gestuurd (al dan niet in versluierd taalgebruik) met betrekking tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne en
/of
- een loods ([x] te Antwerpen) gehuurd voor de aflevering
en/of opslagvan voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of vracht waarin de cocaïne was verborgen en
/of
- een of meer (vracht)auto('s) gehuurd en/of bestuurd
en/of geregeldten behoeve van het transport van voornoemde hoeveelheid cocaïne.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsmotivering en bespreking van de verweren
Het hof kan zich grotendeels verenigen met de overwegingen van de rechtbank. Het hof zal deze overwegingen dan ook voor het merendeel overnemen, maar ook aanvullen en waar nodig aanpassen.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven - dat er onvoldoende bewijs is om de ping-naam ‘[naam]’ aan de verdachte te koppelen.
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1]] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn, nu zij beiden in hun verklaringen bij de raadsheer-commissaris zijn teruggekomen op hun eerder afgelegde verklaringen bij de politie.
Feitelijke vaststellingen
Het hof gaat bij de beoordeling van de verweren uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 22 januari 2012 een container met als kenmerk [x] vanuit de haven Caucedo (Dominicaanse Republiek) met de MS Cap Patton werd verzonden naar de haven van Antwerpen met als consignee en te verwittigen partij: [y]. In deze container werden door de Belgische douaneautoriteiten op 6 februari 2012 27 tassen aangetroffen, inhoudende 1.100 pakken cocaïne met een totaal gewicht van 1.243,5 kg. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] vóór de inbeslagname door de Belgische autoriteiten op 6 februari 2012 betrokken waren bij de invoer van deze container. Daarnaast blijken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] betrokken – op 10 februari 2012 – bij het voorbereiden en bevorderen van het vervoer van de cocaïne vanuit de haven van Antwerpen naar Nederland.
De verdachte was al ruim vóór het moment dat de container op transport naar Antwerpen werd gesteld betrokken bij de invoer van de cocaïne op Nederlands grondgebied op 3 februari 2012, te weten de Westerschelde. Dit blijkt uit de verklaring van de mededader. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat hij al op tweede kerstdag 2011 door de verdachte werd benaderd met het verzoek behulpzaam te zijn bij het aanzoeken van een Nederlandse chauffeur om een busje te rijden. Dit verzoek zou de verdachte in de tweede week van januari 2012 hebben herhaald, daaraan toevoegend dat [medeverdachte 1] “verder geen vragen moest stellen”.
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder van verdachte’s betrokkenheid bij het voorbereiden en het bevorderen van het transport van de verdovende middelen vanuit Antwerpen naar Krimpen aan den IJssel en de overdracht aldaar aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 10 februari 2012. Dit blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met betrekking tot ontmoetingen met de verdachte op donderdag 9 februari en vrijdag 10 februari 2012, maar ook uit de getapte ping-berichten. Op 10 februari 2012 onderhoudt de mededader [medeverdachte 5] ping-contact met een gebruiker met de ping-naam ‘naam’. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze laatste gebruiker informeert naar en op de hoogte is van het vervoer van verdovende middelen van Antwerpen naar Nederland. Uit het telefoongesprek op 10 februari 2012 om 20.34 uur tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en het daarop volgende ping-bericht van [medeverdachte 5] om 20.37 uur aan ‘[naam]’ blijkt dat deze laatste door [medeverdachte 5] als volgt wordt geïnformeerd: “Onderweg nu”.
Het hof stelt vast dat een BlackBerry met als ping-naam ‘[naam]’ en met Nederlandstalige berichten is aangetroffen in de auto waarin als inzittenden [persoon], mededader [medeverdachte 4] en de verdachte zijn aangetroffen. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat [persoon] de Nederlandse taal niet machtig is. Derhalve is het onwaarschijnlijk dat hij de eigenaar was van de BlackBerry. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat voornoemde BlackBerry toebehoorde aan [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] gebruikte tijdens de bewuste autorit de pingnaam “My wife” (bericht 20:40:19 uur). Het is niet aannemelijk dat hij tijdens deze rit in een aantal aaneengesloten pingcontacten ook gebruik heeft gemaakt van de pingnaam “[naam]”, dus van verschillende pingnamen.
Naar het oordeel van het hof kan het dus niet anders dan dat de derde inzittende, te weten de verdachte, op 10 december 2012 om 20:41:69 uur de gebruiker van de BlackBerry met de ping-naam ‘[naam]’ is geweest.
Het verweer wordt verworpen.
Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
Het enkele feit dat iemand bij de raadsheer-commissaris een andere verklaring aflegt of een eerdere politieverklaring intrekt, maakt niet dat die eerdere verklaring om die reden onbetrouwbaar is. Er kunnen immers meerdere redenen zijn waarom iemand al dan niet gedeeltelijk op eerdere verklaringen terugkomt.
Het komt ook voor dat verklaringen worden aangepast als gevolg van beïnvloeding van anderen. Dit klemt nog meer nu het hof ambtshalve bekend is dat in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3], nadat hij is komen vastzitten, ernstige schriftelijke bedreigingen zijn geuit aan zijn adres. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben naar het oordeel van het hof geen duidelijke en overtuigende uitleg hebben gegeven waarom zij bij de politie een onjuiste verklaring zouden hebben afgelegd.
Tegen die achtergrond ziet het hof geen reden aan de juistheid van de verklaringen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de politie hebben afgelegd te twijfelen.
Het verweer wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.