In deze zaak is door de rechtbank Den Haag een voogdijmaatregel uitgesproken waarbij de gecertificeerde instelling werd belast met de voorlopige voogdij over een minderjarige, geboren uit een minderjarige moeder. De minderjarige is op 1 november 2018 met spoed uit huis geplaatst en verblijft sindsdien in een crisispleeggezin.
De verzoekers, waaronder de oma vaderszijde, zijn in hoger beroep gekomen tegen de voogdijtoewijzing aan de gecertificeerde instelling. Zij verzochten de voogdij toe te wijzen aan de oma vaderszijde, onder meer omdat zij van mening waren dat de spoed-uithuisplaatsing niet door een rechter kan worden getoetst zolang de gecertificeerde instelling voogd is. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hebben hun standpunt verdedigd dat de voogdij bij een neutrale derde partij moet blijven.
Het hof oordeelde dat hoewel het zorgelijk is dat de rechtmatigheid van de spoed-uithuisplaatsing niet door een onafhankelijke instantie wordt getoetst, de voogdij in het belang van de minderjarige bij de gecertificeerde instelling moet blijven. De betrokkenheid van de oma vaderszijde werd erkend, maar het hof vond dat zij niet altijd in het belang van de minderjarige handelde. De bestreden beschikking werd daarom bekrachtigd en het verzoek tot toewijzing van de voogdij aan de oma vaderszijde werd afgewezen.