Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
€ 2.128,87
Gerechtshof Den Haag
Partijen zijn in 1990 gehuwd en zijn inmiddels gescheiden. De vrouw verzocht om een verhoging van de partneralimentatie tot € 1.630 bruto per maand, terwijl de man een beperking van de duur van de alimentatie tot een jaar of een redelijke termijn vorderde.
Het hof overweegt dat de vrouw werkzaam is in de zorg en momenteel haar werkzaamheden niet kan uitbreiden, maar dat zij binnen twee jaar in staat moet zijn volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De behoefte van de vrouw is vastgesteld op € 2.128,87 netto per maand, waarbij rekening is gehouden met aflossingen van huwelijkse schulden. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw wordt gemiddeld genomen over 2016 en 2017.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld op een partneralimentatie van € 698 bruto per maand, rekening houdend met zijn inkomen, woonlasten en aflossingen. Het hof bepaalt dat de alimentatie met ingang van de beschikking verschuldigd is en eindigt op 28 november 2020, waarna de alimentatie op nihil wordt gesteld.
De bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover het de partneralimentatie betreft en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man moet vanaf de beschikking € 698 bruto per maand partneralimentatie betalen, met een einde van de verplichting op 28 november 2020.