Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 11 december 2018
Gendia CVBA,
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1komt Gendia op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het verrichten van de NIPT een dienst van algemeen economisch belang (hierna: DAEB) is. Zij stelt in dit verband dat de beperking van de mededinging teweeggebracht door de verlening van de dienst proportioneel en noodzakelijk moet zijn, en dat aan die voorwaarde niet is voldaan omdat er geen legitieme reden is voor het aanbieden van de NIPT aan iedere zwangere vrouw. Met
grief 2voert Gendia aan dat het uitvoeren van de NIPT in het kader van Trident-2 geen DAEB kan zijn, omdat het geen dienst maar een onderzoek is.
Grief 3houdt in dat niet aan de voorwaarden van het DAEB-vrijstellingsbesluit is voldaan omdat naast de drie UMC’s die met de DAEB zijn belast een commercieel bedrijf, Genomescan B.V., en de andere UMC’s bij de uitvoering van de NIPT betrokken zijn, en de overeenkomsten met de UMC’s niet voldoen aan de vereisten van artikel 4 onder Pro c) tot en met e) van het DAEB vrijstellingsbesluit. Gendia voert met haar
vierde griefaan dat de overeenkomsten die met het Erasmus MC, het VUmc en Maastricht UMC zijn gesloten, niet voldoen aan de vereisten van het DAEB-vrijstellingsbesluit.
Grief 5richt zich tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat slechts drie UMC’s zijn belast met de DAEB. Daarmee heeft de voorzieningenrechter volgens Gendia miskend dat ook andere entiteiten, waaronder de overige UMC’s, bij de uitvoering van de NIPT zijn betrokken en dat om te voldoen aan de voorwaarden van het DAEB-vrijstellingsbesluit ook deze andere entiteiten met de DAEB hadden moeten worden belast. Met
grief 6voert Gendia aan dat artikel 2 sub b van Pro het DAEB-vrijstellingsbesluit niet van toepassing is omdat er geen sprake is van medische zorg, maar van onderzoek. Dat betekent dat de grens van € 15 miljoen van artikel 2 lid 1 sub a van Pro toepassing is. Deze grens wordt volgens Gendia overschreden omdat voor de Subsidieregeling NIPT een bedrag van € 26 miljoen per jaar is uitgetrokken.
Grief 7is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het bedrag van € 15 miljoen per jaar, zoals genoemd in artikel 2 van Pro het DAEB-vrijstellingsbesluit, per onderneming geldt. Volgens Gendia ziet dit bedrag op het verrichten van de DAEB ongeacht het aantal betrokken ondernemingen.
Grief 8houdt in dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de Subsidieregeling NIPT niet voldoet aan de transparantievereisten van het DAEB-vrijstellingsbesluit.
Grief 9komt op tegen rechtsoverweging 4.10 waarin de voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat Gendia niet kan worden gevolgd in haar stelling dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4 onder Pro d) en e) van het DAEB-vrijstellingsbesluit. Gendia wijst er met haar
tiende griefop dat de taak om te controleren op ten onrechte aangemerkte DAEB’s ook bij de nationale rechter ligt. De
laatste griefis gericht tegen de afwijzing van de vordering als zodanig.
Onder cis bepaald dat de aard van alle uitsluitende of bijzondere rechten die de onderneming door het toewijzende overheidsorgaan zijn verleend, vermeld moet zijn. Deze bepaling is in het onderhavige geval niet aan de orde omdat in de Subsidieregeling NIPT en de op basis daarvan gesloten overeenkomsten geen uitsluitende of bijzondere rechten aan de UMC’s zijn verleend.
Onder dis aangegeven dat het compensatiemechanisme en de parameters voor berekening, monitoring en herziening van de compensatie moeten zijn beschreven. Met de artikelen 4 en 5 van de Subsidieregeling NIPT is ook hieraan voldaan.
Onder eis bepaald dat een regeling moet zijn opgenomen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen. Artikel 5 van Pro de Subsidieregeling voldoet hieraan. Het bepaalt immers dat de subsidie wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten van het aantal NIPT’s, waarvan de opbrengsten van de eigen bijdragen worden afgetrokken. Dit compensatiemechanisme impliceert dat als achteraf blijkt dat meer is uitgekeerd dan de werkelijke kosten van het aantal NIPT’s, het meerdere kan worden teruggevorderd. Gendia onderbouwt haar stelling dat artikel 5 van Pro de Subsidieregeling niet voldoet aan de voorwaarden van het DAEB-vrijstellingsbesluit en de DAEB-mededeling, niet.