Belanghebbende verwierf een appartementsrecht in een voormalig kantoorpand dat werd getransformeerd tot woning. De vraag was of dit appartementsrecht als woning in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr) kwalificeert en daarmee in aanmerking komt voor het lage overdrachtsbelastingtarief van 2%.
De Rechtbank oordeelde dat het pand op het moment van verkrijging door belanghebbende niet langer als kantoor bestemd was, maar wel nog niet volledig als woning was ingericht. Toch was er sprake van een bouwwerk dat op grond van publiekrechtelijke voorschriften bestemd was voor bewoning, zodat het lage tarief van toepassing was. De Inspecteur ging hiertegen in hoger beroep.
Het Hof onderschreef het oordeel van de Rechtbank, maar baseerde zich meer op de aard van het bouwwerk en de uitgevoerde transformatiewerkzaamheden. Het pand was oorspronkelijk geen woning, maar door de verbouwing en splitsing was het naar zijn aard bestemd voor bewoning. Het feit dat ook werkruimte aan huis mogelijk is, verandert hier niets aan. Het hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en bevestigde het griffierecht. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.