ECLI:NL:GHDHA:2018:3136
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- I.P.A. van Engelen
- B.P. de Boer
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs rechtmatige uitoefening bediening bij aanhouding door RET-boa's
De verdachte werd verdacht van wederspannigheid jegens bijzondere opsporingsambtenaren (boa's) van de RET die hem op 10 augustus 2016 in Schiedam aanhielden wegens het niet voldoen aan de identificatieplicht. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot een taakstraf.
In hoger beroep onderzocht het hof of de boa's daadwerkelijk in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Uit de verklaringen van de verdachte, een getuige en videobeelden bleek dat de aanhouding gepaard ging met mogelijk buitenproportioneel geweld, waaronder het vastpakken van de keel, wat niet werd erkend door de boa's in hun processen-verbaal.
Het hof concludeerde dat de verklaringen van de boa's onvoldoende betrouwbaar waren en dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat zij rechtmatig handelden. Hierdoor kon het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen, en sprak het hof de verdachte vrij. Tevens wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf af.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat RET-boa's rechtmatig handelden bij zijn aanhouding.