Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 juli 2018
Het verdere verloop van het geding
De beoordeling van het hoger beroep
De personen en rechtspersonen die een rol spelen in het geschil
Kern van het geschil, juridisch kader en enige feiten
€ 1.372.079,00. Gezien de datum van oprichting van de rechtspersoon en de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 24 augustus 2004 kan ervan worden uitgegaan dat op datum van de ontbinding de aandelen [B.V. EEN] een relatief geringe waarde vertegenwoordigden.
- aandelen [B.V. EEN]
- het onroerende goed te Rijswijk
- de Spaanse appartementen.
Samenloop van vele procedures
- stelt vast dat er sprake is geweest van wanbeleid van [B.V. EEN] BV, gevestigd te [woonplaats] , in de periode van 1 januari 2008 tot 1 oktober 2014;
- stelt vast dat [de man] (de man in de onderhavige appel procedure) verantwoordelijk is;
- ontslaat [de man] als bestuurder van [B.V. EEN] BV;
- handhaaft de voorziening dat mr. [naam] te Amsterdam als bestuurder van [B.V. EEN] BV is benoemd en aangewezen zoals is bepaald in de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 1 oktober en 7 oktober 2014;
- vernietigt de navolgende besluiten van [B.V. EEN] BV tot het aangaan van leningen met [de broer van de man] enz....;
- vernietigt de besluiten van [B.V. EEN] BV tot het aangaan van: de huurbeëindigingsovereenkomsten met restaurant De [NAAM] CV en met [B.V. TWEE] BV van 7 maart 2013, de aanvullende boete overeenkomsten met restaurant De [NAAM] CV en met [B.V. TWEE] BV van 7 maart 2013;
- vernietigt de besluiten tot de verkoop van de woning aan de [adres] aan [de broer van de man] en de omzetting van de betalingsverplichting in een lening;
- vernietigt bezoldigingsbesluiten voor zover die zien op de bezoldiging van [de man] als bestuurder in de periode vanaf 13 maart 2013 met dien verstande dat de vernietiging niet verder strekt dan met het oog op een door [naam] in redelijkheid vast te stellen bedrag aan bezoldiging;
- ontbindt [B.V. EEN] BV;
- benoemt mr. [naam] tot vereffenaar;
- bepaalt dat de aandelen die [de man] houdt in [B.V. EEN] BV met ingang van heden ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. [naam] .
De vorderingen
De vordering van de vrouw
De vordering van de man
€ 1.000.000 dan wel subsidiair een vergoeding van € 600.000 overeenkomstig het rapport van deskundige [volgt naam] ;
De vordering van de broer
De vordering van de neef
De grieven met betrekking tot de verdeling
- de man onttrekt dan ook zoveel mogelijk vermogen aan de gemeenschap;
- de benadeling van de vrouw gaat echter verder dan het verkopen van boedelbestanddelen;
- ook worden vorderingen achteraf geconstrueerd;
- ook wijst de vrouw op dubieuze bewijsmiddelen;
- steeds tracht de man de vrouw te benadelen.
- ter zake de verdeling vordert de vrouw primair verbeurdverklaring van de aandelen aan haar op de voet van art 3:194 lid 2 BW Pro;
- voor het geval het vorenstaande wordt afgewezen grieft de vrouw tegen de waardering van de aandelen;
- nu de wijze van verdeling van de aandelen in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld, geldt als tijdstip van de verdeling en daarmee – in beginsel – als peildatum voor de waardering de datum van de uitspraak van de appelrechter;
- de vrouw vordert primair de peildatum voor de waardering vast te stellen op de datum van de pro forma liquidatie balans zoals opgesteld door de tijdelijke bestuurder per 30 september 2016 en overgelegd als productie 54;
- subsidiair vordert de vrouw vaststelling van de datum van het in deze te wijze arrest als peildatum;
- het pand [adres] is door [B.V. EEN] verkocht voor een bedrag van € 4.785.000, hetgeen na aflossing van de hypothecaire geldlening verbonden aan het pand een boekwinst heeft opgeleverd van € 3.895.365,67. Nu de aandelen in de vennootschap in de boedel vallen, is de vrouw – indirect – gerechtigd tot de helft van de netto verkoopopbrengst van het pand aan de [adres] .
- de man heeft allerlei schijnconstructies opgezet in een poging het vermogen in de vennootschap aan de boedel te onttrekken en zodoende het aandeel van de vrouw in de waarde van de aandelen te verkorten;
- de man heeft hierbij zijn familie en aan hem en/of zijn familie gelieerde ondernemingen ingezet, doch heeft steeds zelf de touwtjes in handen gehad;
- als bestuurder van [B.V. EEN] heeft de man wanbeleid gevoerd;
- tal van transacties waren daarentegen benadelend voor de [B.V. EEN] en behelsden beoogd voordeel van De [NAAM] CV, [B.V. TWEE] , achterliggend tevens [de broer van de man] en [de neef van de man] alsook [de man] privé;
- de man heeft doelbewust getracht vermogensbestanddelen aan [B.V. EEN] te onttrekken, ten nadele van de aanspraken van de vrouw op de nog te verdelen boedelbestanddelen, waaronder de aandelen in [B.V. EEN] .
- nog steeds neemt de vrouw de stelling in dat zij gerechtigd is tot de helft van de netto opbrengst van het pand waar [B.V. EEN] eigenaar van was;
- het moge duidelijk zijn dat de vrouw nimmer gerechtigd is geweest tot de helft van de verkoopopbrengst. Deze opbrengst (feitelijk het enige substantiële vermogen van de BV) viel immers [B.V. EEN] toe en deze vennootschap heeft aan haar verplichtingen te voldoen alvorens ook maar enig kapitaal aan de aandeelhouders kan worden uitgekeerd;
- in het kader van de verdeling kwam het er dan ook op aan dat de waarde van de aandelen in de verdeling zou worden betrokken. Deze waarde kan nooit gelijk zijn aan de netto verkoopopbrengst omdat crediteuren moeten worden voldaan en bij enige uitkering van kapitaal dividendbelasting moet worden betaald;
- door op de gehele opbrengst beslag te leggen heeft de vrouw de boedel onnoemelijk schade toegebracht;
- de vrouw blijft maar betogen dat de man allerlei schijnconstructies heeft opgezet met als doel haar te benadelen. De vrouw doelt daarmee feitelijk op twee overeenkomsten die zijn aangegaan met De [NAAM] CV en met [B.V. TWEE] in het kader van de huurbeëindiging als gevolg van de verkoop van het pand aan de [adres] .
- de man blijft van mening dat vergoedingen voor genoemde vennootschappen terecht zakelijk verantwoord waren;
- de belastingdienst heeft voorgesteld om aan De [NAAM] CV een vergoeding toe te kennen van € 132.000 voor de beëindiging van de huurovereenkomst. De tijdelijke bestuurder is hier voor gaan liggen.
€ 83.047. De waarde van de bedrijfsschulden heeft zij gewaardeerd op € 193.847. De deskundige kwam derhalve op een negatief eigen vermogen van € 110.800. Het hof verwijst naar blz. 20 van het deskundigenbericht. In het kader van de verdeling brengt dit met zich mede dat de vrouw aan de man moet voldoen de somma van € 55.400.
- op de verdeling is Nederlands recht van toepassing. Op de vraag of de Spaanse appartementen tot de huwelijksgemeenschap behoren is Nederlands recht van toepassing;
- de vrouw is van mening dat zij bewezen heeft dat de appartementen A tot en met C tot de huwelijkgoederengemeenschap behoren;
- de appartementen zijn in 2001 in eigendom verkregen. Er is toen een recht van hypotheek op de appartementen A en B gevestigd van € 81.163,63. Op appartement C is een recht van hypotheek gevestigd met betrekking tot een lening van € 40.568,32;
- de vrouw heeft informatie uit het Spaanse kadaster overgelegd waaruit blijkt dat de appartementen A tot en met C op de peildatum onderdeel uitmaakten van de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw;
- in Spanje komt de informatie uit het Spaanse kadaster een sterke bewijskracht toe. De inschrijving in het kadaster is derhalve beslissend bewijs;
- ook heeft de vrouw informatie uit het Spaanse kadaster overgelegd waaruit blijkt dat de appartementen D tot en met F eveneens op de peildatum onderdeel uitmaakten van de huwelijksgemeenschap. Het hof verwijst naar randnummer 75 van de memorie van grieven;
- de vrouw merkt op dat de rechtbank bij de beoordeling onvoldoende waarde heeft gehecht aan de bewijskracht van de informatie uit het Spaanse kadaster;
- de informatie uit het Spaanse kadaster is een authentieke akte ex art 157 Rv Pro;
- het standpunt van de vrouw is met de informatie uit het kadaster bewezen en dat bewijs staat vast. De man heeft naar Spaans recht geen mogelijkheid om het bewijs van de vrouw te weerleggen;
- met de Spaanse appartementen probeert de man opnieuw het trucje uit te voeren van verkoop aan een familielid;
- het enige objectieve bewijsstuk van de man is de volmacht van 8 april 2004 waarin hij zijn broer een volmacht geeft om namens hem Spaanse appartementen te verkopen;
- de notariële volmacht van 8 april 2004 kan niet als bewijs gelden voor de stelling van de man dat hij op 8 april 2004 een koopovereenkomst met [de broer van de man] heeft gesloten. Een volmacht ziet juist op de situatie dat de man [de broer van de man] de bevoegdheid wil geven om namens hem te beschikken over de goederen die in eigendom van de man zijn. De volmacht ziet enkel op een machtiging van [de broer van de man] om de appartementen namens de man aan een derde te verkopen. Het hof verwijst naar randnummer 100 en 101 van de memorie van grieven van de vrouw;
- de onderhandse koopovereenkomst is geen deugdelijk bewijs nu de man en zijn broer de koopovereenkomst eenvoudig kunnen antidateren;
- ook de appartementen D, E & F probeert de man met zijn broer buiten de verdeling te houden;
- de betaalbewijzen bevatten geen beschrijving en bovendien staat vast dat veel van deze betalingen niet op de appartementen D, E & F kunnen zien om het simpele feit dat de betaalde bedragen de vermeende verkoopsom ver overschrijden;
- de overgelegde betaalbewijzen bewijzen dan ook niets anders dan dat [NAAM] , de Egyptische onderneming van [de broer van de man] en [de neef van de man] , in de periode 2002 en 2003 veelvuldig betalingen deed naar het rekeningnummer van de man in Spanje;
- de man frustreert simpelweg de mogelijkheden van de vrouw om bewijs te leveren. De vrouw is door toedoen van de man in een onredelijk zware bewijspositie geraakt;
- meer subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat zij heeft voldaan aan haar stelplicht door de informatie uit het Spaanse kadaster te overleggen, terwijl de man de stellingen en het bewijs van de vrouw onvoldoende heeft kunnen ontzenuwen;
- de rechtbank merkt in rechtsoverweging 2.9 terecht op dat naar Spaans recht voor overdracht van een registergoed geen inschrijving in het kadaster is vereist. Het hof verwijst naar randnummer 90 van de memorie van grieven.
- naar Spaans recht is er sprake van een eigendomsoverdracht op het moment dat er sprake is van een titel (overeenkomst) en afgifte (overdracht) van het goed. De bewijslevering voor zowel de titel als de afgifte is feitelijk. Het hof verwijst wederom naar randnummer 90 van de memorie van grieven van de vrouw;
- vast staat dat in het Spaanse kadaster is geregistreerd dat de appartementen A tot en met C in 2005 en 2006 door de man, mede namens de vrouw, op eigen titel zijn verkocht en geleverd aan derden. De volmacht had de vrouw reeds op 1 september 2004 ingetrokken. De man heeft de koopsom voor zichzelf gehouden. Het hof verwijst naar randnummer 91;
- de man stelt dat hij de appartementen A tot en met C reeds op 8 april 2004 aan zijn broer heeft verkocht en overgedragen. Ter voldoening van de koopsom heeft [de broer van de man] volgens de man een hypothecaire schuld van € 215.500,00 alsmede een schuld aan de heer [volgt naam] van € 54.500,00 overgenomen. Zowel de hypothecaire schuld als de schuld aan de heer [volgt naam] zouden schulden zijn die onderdeel uitmaken van de huwelijksgemeenschap;
- in afwijking van zijn standpunt dat de appartementen A tot en met C op 8 april 2004 zouden zijn verkocht aan [de broer van de man] , heeft de man ter zitting van 3 november 2015 verklaard dat hij de appartementen al in 2002 zou hebben verkocht aan een aannemer. Het hof verwijst naar randnummer 95 van de memorie van grieven van de vrouw;
- de man heeft geen nadere opmerkingen gemaakt naar aanleiding van zijn verklaring dat de appartementen A tot en met C reeds in 2002 aan een aannemer zouden zijn verkocht, waarbij de verkoopopbrengst zou zijn aangewend voor een nieuw project;
- de rechtbank heeft in het vonnis van 30 maart 2016 geen oog gehad voor het feit dat de man twee tegenstrijdige verklaringen geeft over de vermeende verkoop tijdens het huwelijk. De rechtbank is ten onrechte enkel uitgegaan van de gestelde verkoop aan [de broer van de man] . Het hof verwijst naar randnummer 98 van de vrouw in haar memorie van grieven.
- ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de vrouw niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de koopprijs is ontvangen door overnamen van schulden. Het hof verwijst naar randnummer 99 van de vrouw;
- de vrouw merkt op dat de man op generlei wijze het bewijs van de vrouw heeft weerlegt waaruit blijkt dat de man zelf pas in 2005 en 2006 de appartementen A, B en C aan derden heeft verkocht;
- de man heeft op geen enkele manier aangetoond dat hij de appartementen A,B en C heeft afgegeven aan zijn broer;
- de man heeft evenmin aangetoond dat hij de koopsom van [de broer van de man] heeft ontvangen. Het hof verwijst naar randnummer 110 van de memorie van grieven;
- de rechtbank heeft de hypothecaire geldleningen begroot op een bedrag van € 215.500 op basis van een aangifte inkomstenbelasting van de man uit 2003. De vrouw heeft bewijs uit het kadaster overgelegd waaruit blijkt dat de hypothecaire schuld op de appartementen A tot en met C op de peildatum slechts € 24.548,63 althans € 26.773,63 bedroeg. Het hof verwijst naar randnummer 111 tot en met 113 van de memorie van grieven van de vrouw;
- volledigheidshalve merkt de vrouw op dat op de appartementen D tot en met F blijkens het Spaanse kadaster geen hypothecaire leningen rustten. Het hof verwijst naar randnummer 113 van de memorie van grieven van de vrouw.
- de in de belastingaangifte 2003 vermelde hypothecaire lening van € 230.000,00 op de Spaanse appartementen is dan ook onjuist. De man heeft immers in drie jaar tijd
- voor de betaling van de koopsom van de appartementen A tot en met C kan [de broer van de man] niet voor € 215.500 aan schulden hebben overgenomen. Zie randnummer 114 van de memorie van grieven;
- de overname van de hypothecaire lening via een onderhandse akte is feitelijk niet mogelijk. Zie randnummer 115;
- er rustte op de appartementen A tot en met C op 1 september 2004 niet een schuld van € 215.000. De koopsom voor de appartementen van € 270.000 is niet door de huwelijksgemeenschap ontvangen. Zie randnummer 116;
- door de vrouw wordt eveneens betwist dat de man op 8 april 2004 een schuld had aan de heer [volgt naam] . In de visie van de vrouw is de schuld reeds in 2000 door [de broer van de man] van [volgt naam] overgenomen in verband met de overname van een deel van het restaurant. Zie randnummer 117 van de memorie van grieven van de vrouw;
- kortom de vrouw stelt vast dat de man niet heeft aangetoond dat [de broer van de man] daadwerkelijk de koopsom heeft voldaan door boedelschulden over te nemen.
- de man heeft de appartementen A tot en met C in 2005 en 2006 verkocht waarbij hij stelde dat hij gevolmachtigd was door de vrouw. Het bewijs van de vrouw is een authentieke akte;
- de vrouw is van mening dat de volledige verkoopsom van de appartementen A tot en met C ad € 290.000 volledig aan de ontbonden huwelijksgemeenschap toebehoort. Het hof verwijst naar randnummer 126;
- de vrouw is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat de vrouw onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar standpunt dat de appartementen D tot en met F op de peildatum nog tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Het hof verwijst naar randnummer 131;
- op grond van de informatie uit het Spaanse kadaster stelt de vrouw zich op het standpunt dat de appartementen D, E & F op de peildatum onderdeel uitmaakten van de huwelijksgemeenschap van partijen en dat er op de appartementen geen hypothecaire lening rustte;
- de man stelt dat hij de appartementen D, E & F weliswaar in 2002 had gekocht maar dat hij de appartementen in datzelfde jaar weer had doorverkocht aan [de broer van de man] voor een bedrag van € 432.735,50. Waarom de appartementen D, E & F in 2012 op naam van de man zijn geregistreerd en niet op naam van [de broer van de man] is onduidelijk;
- de man heeft de titel met betrekking tot de verkoop van de appartementen D,E & F niet op een deugdelijke wijze bewezen. Het hof verwijst naar randnummer 138;
- indien de man namens [de broer van de man] de appartementen D, E & F zou hebben gekocht, dan moet daar deugdelijk bewijs van zijn;
- vaststaat dat de appartementen D, E & F in 2002 door de man zijn aangeschaft op eigen titel. In 2012 is dit bevestigd toen de man op zijn eigen naam registreerde in het Spaanse kadaster;
- de verklaring van [de broer van de man] waarin hij stelt dat hij in 2003 de sleutels van de appartementen ontving is onbetrouwbaar en komt geen bewijskracht toe;
- de vrouw heeft met de kadastrale gegevens aangetoond dat de man de appartementen in 2002 op eigen titel kocht en dit eigendom in 2012 registreerde omdat de appartementen op dat moment nog altijd toebehoorden aan de man;
- de man heeft als productie 72 betalingsbewijzen overgelegd echter de man heeft daarbij niet aangetoond dat deze betalingen daadwerkelijk zien op de betaling van de koopsom van de appartementen D, E & F. De gestelde betalingen overtreffen de koopsom met ruim € 432.735,50. Uit de overgelegde betalingsbewijzen kan alleen worden afgeleid dat er veel betalingsverkeer bestond tussen [naam] en de man in Spanje. Zie randnummer 149.
- in hoger beroep komen alle stellingen van partijen wederom aan de orde en derhalve zullen de door partijen in het geding gebrachte bewijsmiddelen geheel opnieuw worden gewaardeerd;
- in de visie van de man is er geen grond aanwezig tot omkering van de bewijslast;
- bij akte van 29 januari 2014 heeft de man bewijs overgelegd van de verkoop van de appartementen A,B & C. De man heeft in dezelfde akte voorts onderbouwd dat ter zake van deze appartementsrechten een lening was afgesloten. Eind 2003 bedroeg het saldo van deze lening € 232.000,00. In 2004 is op de lening € 17.000,00 afgelost zodat er ten tijde van de verkoop een bedrag openstond van € 215.500. De broer heeft de koopsom voldaan middels overneming van schulden;
- de vrouw blijft volhouden dat de appartementen D,E & F ten tijde van de ontbinding van het huwelijk tot de gemeenschap behoorden. De man kan niet anders dan herhalen hetgeen hij reeds in eerste aanleg naar voren heeft gebracht;
- naar Spaans recht is voor de overdracht geen notariële akte vereist. De koopovereenkomst heeft de man als productie 72 overgelegd bij de akte van 26 april 2014;
- de man heeft laten zien dat betalingen van zijn broer betrekking hebben op deze appartementen. Toegegeven moet worden dat niet alle betalingen exact overeenkomen met de in de overeenkomst genoemde bedragen maar voor een deel is dat wel het geval. De man verwijst voorts naar de producties 73 tot en met 79 bij de akte van 26 februari 2014, zijnde de verklaringen van de broer van de man, nota`s die op naam staan van de ondernemingen van de broer en de man en de 2 verklaringen van derden.
“Hierbij verklaren wij dat, onze moeder mevrouw [de vrouw] weet het en wist het al toen de tijd dat de huizen van onze oom de heer [de neef van de man] zijn. Ik [getuige een'] verklaar ook hiermee dat, ik een heel moeilijke gesprek met mijn moeder heb gehad over de huizen van mijn oom in Spanje. Zij mag niet ontkennen van de waarheid van de eigendommen van mijn oom. Ik overtuig hier dat mijn moeder mij heeft beloofd dat, als mijn oom een bewijs van de betaling van de drie huizen aantoont, dan gaat zij intrekken.”.
- hij is geen partij bij de echtscheiding en wenst daarin ook geen partij te worden;
- hij is wel financieel betrokken geraakt omdat hij de man en de vrouw diverse malen financieel heeft willen ondersteunen;
- hij betreurt dat hij is veroordeeld om een bedrag aan de vrouw te voldoen van
- hij is diverse keren bijgesprongen om executieverkopen en een faillissement van de man en de vrouw te voorkomen;
- hij heeft de aandelen gekocht voor een zakelijke prijs;
- de man heeft maatregelen willen nemen om te voorkomen dat registergoederen zouden worden geveild. In dat kader heeft de man gevraagd om financieel bij te springen;
- hij heeft altijd begrepen dat onder druk van de hypotheekverstrekker verkoop van de aandelen van [B.V. EEN] noodzakelijk was;
- feit blijft dat hij de aandelen heeft gekocht en een levering van de aandelen heeft plaatsgevonden bij de notaris. Pas in 2013 is hij geconfronteerd met de nietigheid van de levering. Hij heeft achteraf geen aandelen geleverd gekregen maar wel de koopprijs voldaan;
- voldoende duidelijk is dat de vrouw niet gebonden wordt door de contractuele verplichtingen die de man is aangegaan;
- hij heeft schade geleden door onrechtmatig handelen van de vrouw jegens hem. De vrouw had een zorgvuldigheidsverplichting om tijdig aan de bel te trekken en hem niet in de waan te laten dat hij eigenaar was van de aandelen. Deze zorgvuldigheidsnorm strekt tot bescherming van zijn financiële belangen;
- onderdeel van de door het handelen van de vrouw veroorzaakte schade is de betaalde koopsom € 73.966,20, het hof gaat ervan uit dat hiermee is bedoeld de koopsom voor de aandelen [B.V. EEN] ;
- voorts dient de vrouw op basis van de redelijkheid en billijkheid de schade aan hem te vergoeden;
- in 2009 heeft hij het onroerend goed te Rijswijk aan [adres] gekocht voor een bedrag van € 465.733,20. Door deze aankoop is een executie verkoop voorkomen;
- samengevat vordert hij terugbetaling door de vrouw van de onverschuldigd betaalde bedragen;
- hij mocht ervan uitgaan dat hij eigenaar zou worden van voormeld onroerend goed. De aankoop werd begeleid door een notaris;
- de vrouw heeft niet geprotesteerd tegen de aankoop;
- pas na vier jaar doet de vrouw een beroep op de nietigheid van de aankoop van het onroerend goed door hem;
- hij vordert op grond van artikel 6:162 BW Pro dat de vrouw wordt veroordeelt om deze schade van € 465.733,20 te voldoen aan hem. Daarnaast is de vrouw gehouden de schade aan hem te vergoeden op basis van de redelijkheid en billijkheid;
- indien het bedrag van € 465.733,20 niet wordt voldaan dan vordert hij op basis van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw een bedrag van € 100.000;
- doordat de vrouw hem jarenlang in de waan heeft gelaten dat hij eigenaar was van de onroerende zaak heeft hij omvangrijke kosten gemaakt met betrekking tot het pand te Rijswijk;
- dat hij deze kosten niet van zijn privérekeningen heeft voldaan is duidelijk;
- de betalingen die zijn verricht door [B.V. TWEE] en door De [NAAM] dienen dan ook rechtstreeks toegerekend te worden aan hem. De verarming van deze ondernemingen gaan hem immers rechtstreeks aan;
- hij heeft in totaal een bedrag van € 126.162,49 aan kosten voldaan. Hij vordert dan ook dat de vrouw wordt veroordeeld om een bedrag van € 126.162,49 aan hem te betalen.
- zij betwist dat sprake was van aanzienlijke financiële problemen als gevolg waarvan een executieveiling dreigde van registergoederen van de man;
- zij was geen partij bij de overeenkomst tussen de man en de neef;
- evenmin is zij ongerechtvaardigd verrijkt ten gevolge van de aflossing van de hypothecaire geldlening op het pand te Rijswijk;
- de neef toont niet aan dat hij de koopsom van € 73.966,20 ook daadwerkelijk heeft betaald;
- het feit dat zij op dat moment niet heeft geprotesteerd tegen de aandelenoverdracht betekent niet dat zij er stilzwijgend mee heeft ingestemd;
- zij kon niet tegen de aandelentransactie protesteren, immers zij kende het bestaan van de transactie niet;
- ter zake de vordering van de neef met betrekking tot de aankoopsom voor het pand te Rijswijk geldt precies hetzelfde als bij de aandelentransactie;
- de neef heeft nooit aangetoond dat hij de koopsom heeft voldaan;
- zij was niet bekend met betrekking tot de transactie van het onroerend goed te Rijswijk. Zij vernam pas bij de voorbereiding van de verdelingsprocedure dat de man het pand aan de neef had overgedragen;
- de neef stelt zelf dat de kosten van het pand Rijswijk over de periode dat hij eigenaar was, niet direct door hem zijn voldaan. De neef stelt dat de kosten door zijn ondernemingen zijn voldaan.
Onrechtmatige daad van de neef?
- dat het pand te Rijswijk en de aandelen in het kader van de transactie tussen de man en de neef opzettelijke te laag gewaardeerd waren, zie randnummer 30;
- alle betrokkenen wisten of behoorden te weten dat de aandelen voor een te lage prijs zijn overgedragen en dat de vrouw hierdoor werd benadeeld randnummer 32;
- de neef maakte het mogelijk dat de man de vrouw benadeeld, zie randnummer 34;
- als gevolg van onrechtmatige daad lijdt de vrouw schade en zij stelt die op de helft van de overwaarde van € 3.887.000 derhalve € 1.943.800, zie randnummer 36 en zie eveneens randnummer 40.
- het is hem volstrekt onduidelijk welke inbreuk hij zou hebben gemaakt. Tevens is geen sprake van een doen of een nalaten in strijd met een wettelijke plicht of hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt;
- hij betwist al hetgeen wordt gesteld met betrekking tot afkoopsommen. Daarbij benadrukt hij allereerst dat de afkoopsommen grotendeels als zakelijk zijn aangemerkt door de deskundige op basis van marriage value;
- hij was slechts aandeelhouder en geen bestuurder van de vennootschappen en heeft geen direct invloed gehad op de totstandkoming van de overeenkomsten;
- er was geen sprake van schijnconstructies;
- ook is niet vastgesteld welke schade er is geleden door zijn het handelen.
- [de neef van de man] heeft meegewerkt aan constructies om zo veel mogelijk vermogen uit [B.V. EEN] te laten verdwijnen om daarmee de huwelijksgemeenschap en dus de vrouw te benadelen;
- de kwestie van de afkoopsommen is volledig beoordeeld door de tijdelijke bestuurder ( [naam] ) die in opdracht van de Ondernemingskamer een onderzoek heeft verricht;
- het feit dat [de neef van de man] slechts aandeelhouder was en niet bestuurder, doet aan niets af. De huurbeëindigingsovereenkomsten zijn mede namens de aandeelhouder getekend.
(de vrouw)gelegd conservatoir beslag, een gedeelte van de koopsom ter grootte van € 2.977.000 in depot bij de notaris is gebleven.”.