In deze civiele zaak stond de wilsbekwaamheid van de erflaatster op het moment van het opstellen van haar testament van 12 december 2007 centraal. Appellant [broer een] stelde dat de moeder leed aan een geestelijke stoornis waardoor zij niet in staat was haar wil te bepalen. Ter zitting werden getuigen gehoord om dit te bewijzen.
De getuigen, waaronder een neuroloog, een huisarts en een buurvrouw, konden geen objectieve aanwijzingen geven dat de moeder op het moment van testamentering wilsonbekwaam was. De verklaringen wezen niet op een geestelijke achteruitgang die de wilsbekwaamheid aantastte. Het hof concludeerde dat het testament niet nietig is en dus geldig blijft.
Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin enkele grieven waren toegewezen, wat gevolgen heeft voor de berekening van erfdelen en legitieme portie. Voor de exacte saldi van een bankrekening in Luxemburg werd de zaak aangehouden en verwezen naar de rol, zodat bewijsstukken kunnen worden overgelegd en partijen hierop kunnen reageren.
De zaak werd aangehouden voor overlegging van bankafschriften en verdere beslissing wordt uitgesteld totdat deze stukken zijn ingediend en beoordeeld.