ECLI:NL:GHDHA:2018:2579
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens opleiding en betalingsgedrag
Appellante heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van € 23.758,63. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij de verplichtingen van de regeling, met name het verrichten van arbeid of het genereren van baten voor de boedel, zou nakomen.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij een voltijdsopleiding volgt en dat dit door de Kredietbank niet als belemmering voor toelating was gepresenteerd. Zij gaf aan bereid te zijn haar opleiding te beëindigen indien dit noodzakelijk zou zijn voor toelating, maar gaf de voorkeur aan het afronden ervan. Het hof oordeelde dat het volgen van een voltijdsopleiding niet verenigbaar is met de kernverplichting binnen de schuldsaneringsregeling om 36 uur per week beschikbaar te zijn voor werk.
Daarnaast bleek uit de crediteurenlijst dat appellante schulden had laten ontstaan in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, zonder aannemelijk te maken dat zij te goeder trouw was. Hierdoor was alleen toelating op grond van de hardheidsclausule mogelijk, waarvoor geen aanleiding bestond. Hoewel het hof erkende dat appellante positieve stappen zet, zoals budgetbeheer en opleiding, was dit onvoldoende om aannemelijk te achten dat de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle zijn.
Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.