ECLI:NL:GHDHA:2018:2577

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 februari 2018
Publicatiedatum
3 oktober 2018
Zaaknummer
200.223.609/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 onder c FwArt. 288 lid 3 FwArt. 358 lid 4 FwArt. 51a Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onherroepelijke veroordeling en onvoldoende informatie

Appellanten hebben een verzoek ingediend om toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP). Het hof heeft het verzoek beoordeeld na het verkrijgen van justitiële uittreksels en een voortgezette mondelinge behandeling. Appellanten stelden dat zij wegens ziekte in China verbleven en daardoor niet konden aflossen, maar zij konden hun inkomsten niet inzichtelijk maken en maakten niet aannemelijk dat zij niet konden aflossen.

Daarnaast hebben appellanten onvoldoende duidelijkheid gegeven over niet-betaalde boetes en zijn zij niet volledig en naar waarheid geïnformeerd over relevante omstandigheden, waaronder een onherroepelijke veroordeling in 2016 voor valsheid in geschrifte. Deze veroordeling, waarbij ook een civiele schadevergoeding is toegewezen, valt binnen vijf jaar voor het verzoek en sluit toepassing van de WSNP uit.

Het hof oordeelt dat appellanten niet te goeder trouw zijn geweest en onvoldoende bereid en in staat zijn om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen. De communicatieproblemen en taalbarrières brengen hierin geen verandering. Het verzoek wordt daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank Rotterdam wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.223.609/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/532313 / FT EA 17/1575 en C/10/532316 / FT EA 17/1576

arrest van 15 februari 2018

inzake

1. [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna afzonderlijk te noemen: [appellant], [appellante], en tezamen: appellanten,
advocaat: mr. Y.L. Chan te Rotterdam.

Het geding

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 7 november 2017 welke hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Het hof heeft bij voornoemd tussenarrest de behandeling van onderhavige zaak aangehouden teneinde appellanten in de gelegenheid te stellen nadere gegevens over de boetes op grond van de Wet Mulder over te leggen en om het hof te laten weten of zij instemmen met het opvragen van de hen beiden betreffende uittreksels uit de justitiële documentatie.
Bij faxbericht van 27 november 2017 heeft mr. Chan het hof laten weten dat appellanten instemmen met het opvragen van de uittreksels uit de justitiële documentatie.
Het hof heeft vervolgens met betrekking tot elk van appellanten een uittreksel uit de justitiële documentatie opgevraagd en verkregen. Bij email van 16 januari 2018 heeft het hof appellanten de kopieën van de uittreksels gezonden en appellanten opgeroepen voor een voortgezette mondelinge behandeling ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. F.R. Salomons. Daarbij zijn appelklanten, in verband met Hoge Raad 22 december 2017, ECLI:NL:HR:3264 (r.o. 3.6), in de gelegenheid gesteld tot het doen van een verzoek om de voortgezette mondelinge behandeling alsnog te houden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Daarop heeft mr. Chan het hof telefonisch bevestigd dat appellanten instemmen met een enkelvoudige behandeling.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. F.R. Salomons op 31 januari 2018. Aldaar zijn verschenen zijn: appellanten, bijgestaan door hun advocaat en vergezeld van K.P. Woo (tolk Mandarijn).
Ter zitting heeft mr. Chan nog producties overgelegd.
Op 12 februari 2018 heeft de griffier het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling aan mr. Chan toegezonden.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.Ingevolge artikel 288 lid 2 onder Pro c Fw wordt het verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358 lid 4 Fw Pro ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar voor de dag van indiening van het verzoek. Onder de in artikel 358 lid 4 Fw Pro bedoelde veroordelingen zijn begrepen strafrechtelijke veroordelingen tot betaling van een schadevergoeding aan een benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a Wetboek van Strafvordering. Uit de aan het hof overgelegde justitiële documentatie is gebleken dat zowel [appellant] als [appellante] op 11 februari 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd in de periode van 1 november 2004 tot en met 1 maart 2005 te Bergen op Zoom. Appellanten zijn veroordeeld tot 220 uren taakstraf subsidiair 110 dagen hechtenis en de civiele vordering van de benadeelde partij van € 151.843,05 is toegewezen. Uit het ter zitting aan het hof overgelegde arrest van 11 februari 2016 betreffende [appellante] is gebleken dat deze benadeelde partij de ING Bank is. Appellanten hebben geen cassatie ingesteld tegen het vonnis van 11 februari 2016 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Daarmee staat vast dat appellanten een of meer schulden hebben die voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358 lid 4 Fw Pro ter zake van een of meer misdrijven en dat deze veroordeling minder dan vijf jaar voor indiening van het verzoek onherroepelijk is geworden. Het verzoek van appellanten om de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren dient dus te worden afgewezen. Dat appellanten hebben verklaard dat de veroordelingen betrekking hebben op documenten die zij in goed vertrouwen in hun zoon hebben ondertekend zonder deze te hebben gelezen en zonder deze te hebben begrepen, doet aan het voorgaande niet af.
2. Verder is het hof met de rechtbank van oordeel dat appellanten niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden in de jaren van 2012 tot 2015. Appellanten hebben gesteld dat zij vanwege de ziekte van de moeder van [appellante] in China verbleven, om daar voor de moeder van [appellante] te zorgen. Appellanten hebben gedurende deze periode niets afgelost op de forse schuldenlast, terwijl zij niet inzichtelijk hebben gemaakt wat hun inkomsten zijn geweest gedurende die periode en ook niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in die periode niet tot enige aflossing in staat zijn geweest.
3. Voorts hebben appellanten, hoewel zij daar bij het tussenarrest van 7 november 2017 om zijn verzocht, het hof geen duidelijkheid gegeven over de niet-betaalde boetes op grond van de Wet Mulder die er, naar zij hebben verklaard, de reden voor zijn geweest dat [appellant] bij terugkeer uit China in hechtenis is genomen. Ook overigens hebben appellanten nagelaten het hof volledig en naar waarheid in te lichten over alle omstandigheden die, naar zij wisten of behoorden te begrijpen, van belang waren voor de beoordeling van hun verzoek, meer in het bijzonder de omstandigheid dat zij recent, in 2016, zijn veroordeeld voor een of meer misdrijven die verband houden met een aanzienlijk deel van hun schulden. Doordat zij het hof, al dan niet opzettelijk, zo gebrekkig hebben geïnformeerd, is naar het oordeel van het hof niet voldoende aannemelijk dat appellanten bereid en in staat zijn de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder de verplichting om de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd op de hoogte te stellen van alle voor de toepassing van de regeling relevante feiten, na te komen. Dat de gebrekkige informatieverstrekking door appellanten niet het gevolg is van opzet maar van onbegrip en taalproblemen, zoals zij nog hebben aangevoerd, brengt in het oordeel van het hof geen verandering. Appellanten hebben wel aangeboden dat hun jongste zoon en hun dochter behulpzaam kunnen zijn met vertalen, maar bij de eerste zitting heeft de bijstand door de dochter er niet voor kunnen zorgen dat de communicatie met appellanten goed is verlopen. Dat de communicatie met behulp van hun jongste zoon beter zal verlopen, hebben appellanten onvoldoende aannemelijk gemaakt. In het licht van het voorgaande ziet het hof ook geen aanleiding om, zoals door appellanten is verzocht, de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro toe te passen.
4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2017.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, D.A. Schreuder en S. Veling en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.