ECLI:NL:GHDHA:2018:2425
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van partneralimentatie wegens feitelijke misslag
Het gerechtshof Den Haag behandelde het incidentele verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking van de rechtbank Rotterdam die hem verplichtte partneralimentatie te betalen van € 15.545,- bruto per maand en een eenmalige vergoeding van € 10.000,- voor verhuiskosten aan de vrouw.
De man stelde dat de hoge alimentatiebetalingen de continuïteit van zijn onderneming bedreigden vanwege een grote rekening-courantschuld en dat de vrouw de alimentatie niet voor levensonderhoud gebruikte maar voor vermogensvorming. De vrouw bestreed dit en voerde aan dat de man geen noodtoestand had aangetoond en zijn financiële situatie onvoldoende inzichtelijk maakte.
Het hof overwoog dat de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing had gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waardoor het verzoek moest worden beoordeeld aan de hand van de belangenafweging tussen partijen. Het hof constateerde een feitelijke misslag in de draagkrachtberekening van de rechtbank, doordat niet was meegenomen dat de man dividenduitkeringen moest gebruiken voor aflossing van zijn rekening-courantschuld.
Door deze misslag was er sprake van een noodsituatie bij de man, waardoor zijn belang bij schorsing van de uitvoerbaarheid zwaarder woog dan het belang van de vrouw bij voortzetting van de tenuitvoerlegging. Het hof besloot daarom het verzoek tot schorsing toe te wijzen en de behandeling van de hoofdzaak op een later tijdstip voort te zetten.
Uitkomst: Het hof schorst de uitvoerbaarheid bij voorraad van de partneralimentatiebeschikking wegens een feitelijke misslag in de draagkrachtberekening.