Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
.De minderjarige woont sinds december 2008 in het huidige pleeggezin.
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind werd beëindigd en een gecertificeerde instelling tot voogd werd benoemd.
De minderjarige woont sinds haar babyleeftijd van zeven maanden in een pleeggezin en is al jaren onder toezicht gesteld. De moeder betwistte de gezagsbeëindiging en stelde dat de aanvaardbare termijn van onzekerheid nog niet was verstreken en dat onderzoek naar thuisplaatsing noodzakelijk was. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling stelden dat het belang van de minderjarige bij duidelijkheid en stabiliteit voorop staat, omdat de minderjarige last heeft van loyaliteitsconflicten en haar ontwikkeling wordt bedreigd door de onzekerheid.
Het hof overwoog dat de minderjarige veilig gehecht is aan het pleeggezin en dat de aanvaardbare termijn van onzekerheid is verstreken. Het hof vond dat verder onderzoek niet in het belang van de minderjarige is vanwege het risico op verlenging van de onzekerheid en het loyaliteitsconflict. De weigering van de moeder om mee te werken aan onderzoek was onvoldoende gemotiveerd. Ook recente zorgen over de opvoedomgeving van de moeder speelden mee.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees het verzoek van de moeder af, waarbij werd benadrukt dat de ouders een belangrijke plaats in het leven van de minderjarige behouden en dat contact wordt bevorderd. De beschikking werd uitgesproken op 29 augustus 2018 door drie rechters.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd van de minderjarige.