ECLI:NL:GHDHA:2018:2363
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank wegens hardheidsclausule
Appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goed vertrouwen bij het ontstaan van schulden in de voorgaande vijf jaar. De rechtbank baseerde dit op onduidelijkheid over naheffingsaanslagen omzetbelasting en het voortduren van belastingaanslagen na opheffing van zijn onderneming.
In hoger beroep heeft appellant een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro, waarbij hij stelde dat zijn onderneming was opgeheven vanwege ernstige hartproblemen en dat hij door persoonlijke omstandigheden, waaronder dakloosheid, niet in staat was zijn schulden te voldoen. Sinds 2015 heeft hij een eigen woning en zoekt hij actief betaald werk.
Het hof acht aannemelijk dat appellant de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen, geen nieuwe schulden heeft gemaakt sinds 2016 en zich zal inspannen om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen. Het beroep op de hardheidsclausule wordt daarom toegewezen, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellant.