Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
- op 28 december 2017 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 20 juni 2018 een brief van diezelfde datum met bijlagen.
- [de B.V.] vertegenwoordigd door mr. M. Koene en [financieel directeur van de B.V.] (financieel directeur van [de B.V.] );
- de erfgenamen, bijgestaan door hun advocaat;
- [gemachtigde] (gemachtigde in eerste aanleg van de erfgenamen).
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
“Evenmin is gebleken van omstandigheden op basis waarvan kan worden geoordeeld dat verzoekers beter hadden moeten weten of hadden moeten twijfelen over de aanwezigheid van een schuld en zij hebben nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen.”De erfgenaam [geïntimeerde 2] is betrokken geweest bij een groot deel van het mailverkeer [de B.V.] en [bedrijf] waarin uitgebreid wordt gecommuniceerd over de schuld van [bedrijf] aan [de B.V.] . Voornoemde correspondentie heeft plaatsgevonden voor 14 september 2016, de dag van overlijden van erflater. De betrokkenheid van [geïntimeerde 2] . bij voornoemde correspondentie geeft, in tegenstelling tot hetgeen in eerste aanleg is overwogen, blijk van omstandigheden op basis waarvan kan worden geoordeeld van de erfgenamen beter hadden moeten weten of in ieder geval hadden moeten twijfelen over de aanwezigheid van een schuld, aldus [de B.V.] .
“Beoordeeld dient daarbij te worden of het verzoek binnen 3 maanden na het ontdekken van de schuld is ingediend. Aangezien het verzoek ter griffie is binnengekomen op 17 juli 2017 en verzoekers voor het eerst na ontvangst van de brief d.d. 18 april 2017 op de hoogte waren van de borgstelling, is het verzoek tijdig ingediend.”
en[geïntimeerde 2] is gestuurd. Het is verder gebleken dat in de periode van 22 april 2016 tot en met september 2016 mailverkeer heeft plaatsgevonden tussen [de B.V.] en [bedrijf] , waarbij [de B.V.] meerdere malen heeft verzocht om betaling van openstaande facturen. Voornoemde e-mails zijn onder meer gericht aan de erflater en aan [geïntimeerde 2] , Op 13 oktober 2016 heeft [de B.V.] per e-mail aan [geïntimeerde 2] gerefereerd aan de afgegeven borgstelling. Het is het hof voorts gebleken dat de erflater en [geïntimeerde 2] altijd gezamenlijk zaken deden en ook samen circa eens per twee maanden op bezoek kwamen op het kantoor van [de B.V.] in [plaats] , waarbij de erflater het woord deed, en [geïntimeerde 2] aanwezig was. Het hof neemt bovendien in aanmerking dat ter gelegenheid van de eerder gememoreerde bespreking op 10 maart 2017 de borgstelling aan [de B.V.] is besproken en dat [geïntimeerde 2] blijkens het transcript van die bespreking toen aangegeven heeft op de hoogte te zijn van de door erflater afgegeven borgstelling. Uit het vorenstaande volgt dat dat de onderhavige schuld uit borgstelling ten aanzien van [geïntimeerde 2] niet kan worden aangemerkt als een onverwachte schuld. Het is mogelijk dat de schuld niet uit de administratie van erflater bleek, maar [geïntimeerde 2] wist in ieder geval op andere wijze van het bestaan van de schuld. Het betoog van [geïntimeerde 2] dat hij de e-mails niet kende en niet heeft gelezen, acht het hof, in het licht van de onderbouwde betwisting van [de B.V.] , weinig geloofwaardig. Ook al zou dat het geval zijn geweest, dat neemt niet weg dat hij daarvan op de hoogte had kunnen zijn en dat het niet lezen van aan hem gerichte mails niet meebrengt dat hij redelijkerwijs de meergenoemde schuld niet behoorde te kennen. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde 2] aldus ten tijde van de zuivere aanvaarding van de nalatenschap op 4 november 2016 op de hoogte geweest van zowel de schulden van [bedrijf] als de aanwezigheid van de persoonlijke borgstelling van erflater althans behoorde hij die te kennen. Ook al zou [geïntimeerde 2] pas na het overlijden van erflater bekend zijn geworden met de onderhavige schuld – hetgeen blijkens het vorenstaande niet het geval is – dan was hij dat in ieder geval tijdens de bespreking op 10 maart 2017, zodat zijn verzoek als bedoeld in art.4:194a BW op 19 juli 2017 te laat is ingediend. Zijn inleidend verzoek dient alsnog te worden afgewezen,