Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 20 februari 2018
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellant],
appellant,
AMVEST RDF CUSTODIAN B.V.
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De feiten
(2.1) [appellant] heeft sinds 2009 van Amvest gehuurd woonruimte aan de [adres] (hierna de woning of het gehuurde). In artikel 2.8 van de toepasselijke Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (2003) is opgenomen:
“Huurder verliest het bezit van zaken waarvan hij wordt geacht afstand te hebben gedaan door deze in het gehuurde achter te laten bij het daadwerkelijk verlaten van het gehuurde. Deze zaken kunnen door verhuurder, naar verhuurders inzicht, zonder enige aansprakelijkheid zijnerzijds, op kosten van huurder worden verwijderd zonder dat op verhuurder enige bewaarplicht rust. Verhuurder is vrij om over deze zaken te beschikken. Hij heeft het recht om zich deze zaken toe te eigenen, dan wel voor risico van huurder op straat te laten zetten, geheel naar eigen goeddunken. Ook kan verhuurder ervoor kiezen de betreffende zaken te laten afvoeren om ze onmiddellijk te laten vernietigen of om ze tijdelijk op te laten slaan. Als verhuurder de betreffende zaken heeft laten vervoeren en doen opslaan kan huurder die zaken slechts van verhuurder terugkrijgen gedurende de tijd dat deze zijn opgeslagen tegen betaling ineens van al hetgeen verhuurder te vorderen heeft. Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade aan de betreffende zaken ontstaan tijdens het verwijderen, het vervoer of de opslag.”(2.2) Bij verstekvonnis van 20 juli 2012 is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming van het gehuurde gelast binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Het vonnis is op 25 juli 2012 door de deurwaarder betekend aan het adres van het gehuurde door achterlating van het vonnis in een gesloten envelop, waarbij de ontruimingstermijn werd gesteld op 14 dagen.
(2.3 Per 6 augustus 2012 is de gas- en elektriciteitstoevoer naar de woning afgesloten. De woning werd in ieder geval sindsdien niet meer bewoond.
(2.4) De deurwaarder heeft het gehuurde op 23 augustus 2012 in opdracht van Amvest ontruimd. Bij deze ontruiming was de heer [medewerker], een medewerker van Verweij Vastgoedmanagement als beheerder van Amvest, aanwezig. [appellant] was hierbij niet aanwezig. De in de woning aangetroffen goederen zijn in opdracht van de deurwaarder vernietigd.
(2.5) Toen [appellant] de woning op 25 augustus 2012 wilde controleren, constateerde hij dat de woning was ontruimd.
De vorderingen van [appellant] en de beslissing van de kantonrechter
primair:voor recht te verklaren dat Amvest jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld waardoor [appellant] schade heeft geleden;
subsidiair:Amvest te veroordelen om aan [appellant] € 19.970 te betalen als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2012 en de proceskosten.
(i) De deurwaarder was bevoegd de woning te betreden en tot ontruiming over te gaan.
(ii) Er is geen aanwijzing dat Amvest de deurwaarder opdracht heeft gegeven om de roerende zaken die in het gehuurde aanwezig waren te vernietigen. De deurwaarder heeft zelfstandig deze beslissing genomen. Voor deze beslissing, die is gebaseerd op de wettelijke bevoegdheden die aan de deurwaarder toekomen, kan Amvest niet aansprakelijk worden gehouden. Dit zou anders kunnen zijn wanneer Amvest en [appellant] een betalingsregeling hadden afgesproken ten aanzien van de huurachterstand. Dat van dit laatste sprake zou zijn is door Amvest gemotiveerd betwist en door [appellant] onvoldoende onderbouwd.
(iii) Dat de deurwaarder in het kader van zijn wettelijke bevoegdheid zaken tot zich neemt, brengt niet mee dat de opdrachtgever (Amvest) hierdoor zaakwaarnemer (in de zin van artikel 6:198 BW Pro) wordt. Bovendien is van feitelijk opslaan van goederen geen sprake geweest.
De grieven
Beoordeling van de grieven
Daarnaast overweegt het hof als volgt. Het ontruimingsvonnis geeft de verhuurder het recht (en verschaft hem een geldige titel) om te ontruimen. Wanneer de verhuurder tot ontruiming wil overgaan, moet hij deze zorgvuldig laten verlopen en heeft hij daarbij de verplichting rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurder. Als een huurder desondanks schade lijdt komt dat voor rekening van de huurder, nu daarvoor een rechtvaardiging bestaat in de geldige titel tot ontruiming.
Gezien de omstandigheden van het geval, heeft de deurwaarder c.q. Amvest in redelijkheid kunnen menen dat [appellant] afstand had gedaan van de inboedel in de zin van artikel 2.8 van de Algemene Bepalingen door deze in het gehuurde achter te laten bij het verlaten van het gehuurde. Reeds hierom kan Amvest niet aansprakelijk worden gehouden voor het verlies ervan.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2016;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Amvest tot op heden begroot op € 1.957,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris advocaat en op € 131,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.