Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 31 juli 2018
[appellante] ,
Dennestaete B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grieven I-IIIzet [appellante] uiteen dat zij van oordeel is dat hetgeen de bank aan Dennestaete heeft betaald uit hoofde van vonnis II in mindering moet strekken op hetgeen [appellante] aan Dennestaete is verschuldigd. [appellante] is bereid hetgeen dan van de vordering van Dennestate resteert te betalen, waarna Dennestaete geen belang meer heeft bij verdere executie. Daartoe voert zij het volgende aan. Een betaling onder de bankgarantie aan [appellante] zou hebben te gelden als een betaling door Dennestaete aan [appellante] . De daadwerkelijke gang van zaken die tot betaling aan [appellante] heeft geleid, is te vergelijken met de gang van zaken indien onder de bankgaranties zou zijn uitgekeerd. De (onder 2.l bedoelde) betaling door de bank aan Dennestaete heeft daarom ook te gelden als een betaling door [appellante] aan Dennestaete. Het is bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Dennestaete twee keer betaald zou krijgen. Met
grief IVvoert [appellante] aan dat Dennestaete haar vordering niet deugdelijk heeft gespecificeerd, dat die vordering niet verifieerbaar is en dat Dennestaete daarom in schuldeisersverzuim verkeert. Met
grief Vbetoogt [appellante] dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de oplossing die zij had aangeboden en die erop neer komt dat zij het bedrag van (destijds) € 41.303,09 tegen finale kwijting zou betalen.
Grief VIkomt ten slotte op tegen de proceskostenveroordeling.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2017;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Dennestaete tot op heden begroot op € € 1.952,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.