De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar wel veroordeeld voor medeplichtigheid aan brandstichting.
De brandstichting vond plaats op 1 januari 2014 in een woning te Herkingen, waarbij vuurwerk (Cobra 6) door de brievenbus werd gegooid, wat leidde tot brand en groot gevaar voor goederen en levensgevaar voor bewoners. De verdachte had een conflict met een buurman en heeft de dader geholpen door het adres te geven en te bemiddelen bij de aanschaf van het vuurwerk.
Het hof achtte de rol van de verdachte essentieel en strafte hem met een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Er was geen aanwijzing dat de verdachte detentieongeschikt was. De behandeling van het hoger beroep overschreed de redelijke termijn, maar dit werd niet bestraft vanwege vertraging door de verdediging.
De uitspraak werd gedaan door het hof Den Haag op 11 juli 2018, waarbij het vonnis van de rechtbank Rotterdam werd vernietigd en opnieuw recht werd gedaan.