De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en veroordeeld voor uitlokking tot brandstichting. In hoger beroep heeft het hof het primair ten laste gelegde niet bewezen geacht en de verdachte daarvan vrijgesproken. Wel is bewezen verklaard dat hij medeplichtig was aan brandstichting door het verschaffen van vuurwerk en instructies aan zijn zoon, die het vuurwerk tussen de brievenbus van een woning plaatste, waardoor brand ontstond met gevaar voor goederen en levensgevaar voor de bewoners.
De brand veroorzaakte aanzienlijke schade en maakte de woning drie maanden onbewoonbaar. Het hof achtte de feiten ernstig vanwege het gemeen gevaar en het risico op zwaar lichamelijk letsel. De verdachte had geen eerdere soortgelijke veroordelingen. Hoewel gevangenisstraf passend is, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet aangewezen vanwege de gezondheidssituatie en de niet-detentiegeschiktheid van de verdachte. Een taakstraf werd eveneens als niet geëigend beschouwd.
Daarom legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden op met een proeftijd van twee jaar zonder bijzondere voorwaarden. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze uitspraak.