ECLI:NL:GHDHA:2018:1448
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken gemotiveerde verklaring buitengerechtelijke schuldregeling
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelde dat appellant niet had voldaan aan de vereiste van een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke schuldregeling, zoals vereist in artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro.
Appellant had een verklaring overgelegd waarin stond dat het aanbieden van een buitengerechtelijke regeling niet mogelijk was, maar deze verklaring was onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank stelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij met alle schuldeisers, behalve de Belastingdienst en ING Bank, pogingen had ondernomen tot een minnelijke regeling. Bovendien had appellant de ontbrekende gegevens niet aangevuld ondanks een termijn daarvoor.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij met de Belastingdienst en ING Bank had geprobeerd een regeling te treffen, maar dat deze partijen niet bereid waren. Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat een absolute voorwaarde voor toelating tot de schuldsaneringsregeling een voldoende gemotiveerde verklaring is waaruit blijkt dat buitengerechtelijke schuldregeling niet mogelijk is. Het hof concludeerde dat appellant niet had aangetoond dat hij een reële poging had gedaan tot een minnelijk akkoord met alle schuldeisers en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een met redenen omklede verklaring.