Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in kort geding van 10 april 2018
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- een weekend per maand van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend, alsmede;
- in het jaar 2014 één week in de zomervakantie;
- vanaf het jaar 2015 twee weken in de zomervakantie;
- met ingang van 2014 jaarlijks op tweede kerstdag met aansluitend een overnachting.
in conventie:
- beslist dat de minderjarige vanaf maandagochtend 7 augustus tot en met maandagochtend 21 augustus 2017 bij de grootouders zal verblijven, waarbij de vader is bevolen om mee te werken aan de uitvoering van de omgang gedurende deze twee weken op straffe van lijfsdwang, inhoudende dat de grootouders worden gemachtigd de vader in gijzeling te doen stellen voor de duur van veertien dagen en indien gijzeling niet kan worden uitgevoerd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 14.000,-;
- de vader veroordeeld, in aanvulling op het kortgeding vonnis van 19 augustus 2014 en in aanvulling op het kortgeding vonnis van 2 juni 2017, tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor zover hij de reguliere omgangsregeling niet nakomt en de lijfsdwang niet toegepast kan worden, met een maximum van € 50.000,-;
- beslist dat de hiervoor genoemde dwangsommen vatbaar zijn voor matiging op de in rov. 4.10 en 4.11 van het bestreden vonnis vermelde wijze;
- de vader veroordeeld om de werkelijke kosten van het geding aan de grootouders te betalen, aan de zijde van de grootouders begroot op € 2.250,23;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- en het meer of anders gevorderde afgewezen.
in reconventie:
- het gevorderde zijdens de vader afgewezen;
- de vader veroordeeld om de kosten van het geding aan de grootouders te betalen, aan de zijde van de grootouders begroot op € 408,-;
- en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- de grootouders in hun vorderingen in conventie niet-ontvankelijk verklaart dan wel deze vorderingen afwijst;
- de reguliere omgangsregeling opschort tot aan de datum van de beschikking in een door de vader aanhangig te maken bodemprocedure bij de rechtbank, waarin de vader de rechtbank zal verzoeken de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken te rapporteren en adviseren omtrent de wenselijkheid van voortzetting van de omgangsregeling en de wijze waarop die eventueel zou moeten plaatsvinden tussen de grootouders en de minderjarige;
- de grootouders veroordeelt in de kosten van beide instanties, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf de termijn voor voldoening;
- een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Grief 1stelt de ontvankelijkheid van de grootouders aan de orde alsmede het spoedeisend belang van de grootouders bij de onderhavige kortgedingprocedure.
grief 2betoogt de vader dat de voorzieningenrechter in rov. 4.4 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft vastgesteld dat tussen partijen vast staat dat er in het jaar 2017, tot de datum van het bestreden vonnis (4 juli 2017), slechts eenmaal een weekend omgang heeft plaatsgevonden tussen de grootouders en de minderjarige, terwijl op grond van de reguliere omgangsregeling zesmaal een weekend omgang had moeten plaatsvinden.
grief 3komt de vader op tegen de afwijzing in rov. 4.7 van het bestreden vonnis van zijn reconventionele vordering om hem vrij te stellen van de verplichting tot nakoming van de reguliere omgangsregeling voor de maand juli 2017 in verband met zijn voornemen om samen met de minderjarige op vakantie te gaan naar Marokko in de periode van 5 juli 2017 tot 2 augustus 2017.
Grief 4faalt omdat de vader daarin (wederom) de juistheid van de reguliere omgangsregeling aan de orde stelt, terwijl de onderhavige kortgedingprocedure zich niet leent voor een inhoudelijke toetsing daarvan. Daarbij merkt het hof nog op dat uit het door de vader aangehaalde verslag van Cardea Ambulante Spoedhulp van 31 mei 2017 niet kan worden afgeleid dat het belang van de minderjarige zich zodanig tegen omgang met de grootouders verzet dat reeds vooruitlopend op een bodemzaak in dit kort geding door de voorzieningenrechter beslist had moeten worden tot schorsing van de vastgestelde omgangsregeling.
Grief 5behoeft geen bespreking voor zover daarin wordt opgekomen tegen rov. 4.9 van het bestreden vonnis, waarin is beslist dat geen aanleiding bestaat om de door de bodemrechter vastgestelde omgangsregeling op dit moment op te schorten in afwachting van een beslissing in een door de vader aanhangig te maken bodemprocedure. Namens de vader is de hierop betrekking hebbende vordering tijdens het pleidooi ingetrokken (zie rov. 13), zodat de vordering tot schorsing van de reguliere omgangsregeling niet meer voorligt in appel.
grief 6voert de vader aan dat in rov. 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte is overwogen dat de oplegging van een dwangmiddel is aangewezen, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing. Uit de toelichting op deze grief blijkt dat de vader doelt op het dwangmiddel van lijfsdwang, zoals opgelegd in rov. 4.10 van het bestreden vonnis.
grief 7betoogt de vader dat in het bestreden vonnis ten onrechte is beslist dat de reguliere omgangsregeling dient te worden nagekomen op straffe van een nadere dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vader de omgangsregeling niet nakomt. Het hof verwerpt deze grief en motiveert dat als volgt. Bij kortgeding vonnis van 19 augustus 2014 is de vader veroordeeld tot nakoming van de reguliere omgangsregeling, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de omgangsregeling niet wordt nageleefd, met een maximum van € 5.000,-. Vast staat dat de vader de omgangsregeling in januari en maart 2017 niet heeft nageleefd en uit dien hoofde de krachtens het kortgeding vonnis van 19 augustus 2014 verschuldigde dwangsom van maximaal € 5.000,- is verbeurd (zie ook rov. 2.13 van het door mr. Reichmann in het geding gebrachte kortgeding vonnis van 2 februari 2018). Eveneens staat vast dat de vader de omgangsregeling nadien, tot aan de datum van het bestreden vonnis, evenmin (volledig) heeft nageleefd. Bij deze stand van zaken stond het de voorzieningenrechter vrij een nader dwangmiddel te verbinden aan de nakoming van de reguliere omgangsregeling, te weten een nadere dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vader de reguliere omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 50.000,-. Dat dit dwangmiddel geen effect heeft gesorteerd en de vader ook na het wijzen van het vonnis de reguliere omgangsregeling, daaronder begrepen het verblijf bij de grootouders gedurende de zomervakantie, niet is nagekomen kan hier niet aan afdoen.
Grief 8houdt in dat de vader in het bestreden vonnis ten onrechte is veroordeeld in de volledige proceskosten van de grootouders. Hoewel de nodige terughoudendheid in acht dient te worden genomen bij de veroordeling van een partij in de werkelijke proceskosten van de andere partij, acht het hof de beslissing van de voorzieningenrechter, in de specifieke omstandigheden van dit geval, gerechtvaardigd. Aangezien de vader zich, ondanks de opgelegde dwangmiddelen, niet heeft gehouden aan de door de bodemrechter vastgestelde omgangregeling, het maximum aan opgelegde dwangsommen reeds was verbeurd, de grootouders en (blijkens het rapport van Cardea Ambulante Spoedhulp ook) de minderjarige elkaar graag wilden zien, hebben de grootouders zich genoodzaakt gezien om wederom een kortgedingprocedure aanhangig te maken teneinde te bewerkstelligen dat de vader zijn medewerking verleent aan de reguliere omgangsregeling. Nu de vader zich aan de reguliere omgangsregeling had te houden zolang deze niet in een bodemprocedure was gewijzigd, doet zich in dit geval een buitengewone omstandigheid voor die een veroordeling van de vader in de werkelijke proceskosten van de grootouders rechtvaardigt (vgl. HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366).
Grief 9is een veeggrief en mist als zodanig zelfstandige betekenis.