ECLI:NL:GHDHA:2018:1191
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwikkeling samenleving en verrekening geldlening en belastingteruggaven
Partijen, die een affectieve relatie hadden en samen een woning kochten, zijn in 2014 uit elkaar gegaan. De vrouw was volgens een overeenkomst van geldlening uit 2003 een bedrag van €85.000,- aan de man verschuldigd, dat betrekking had op door de man betaalde gelden voor de woning. De vrouw betwistte dit bedrag en stelde onder meer dat sprake was van wilsgebreken zoals bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling.
Het hof oordeelde dat de man aannemelijk had gemaakt dat hem het bedrag toekomt, mede door betalingen van de waarborgsom, verbouwingen en inboedel, en dat het ontbreken van een goedschrift de bewijskracht niet aantastte. De stellingen van de vrouw over wilsgebreken werden verworpen omdat de schuld opeisbaar was bij het einde van de samenleving en er geen bijzondere omstandigheden waren die misbruik aannemelijk maakten.
Daarnaast vorderde de vrouw betaling van onbetaalde facturen die zij aan de man had gestuurd. Het hof oordeelde dat de man deze facturen vanaf 2005 via de gezamenlijke rekening betaalde en dat de vrouw dit had moeten begrijpen. Een wijziging van eis door de vrouw werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met goede procesorde.
Verder ging het hof in op belastingteruggaven die de man op zijn rekening had overgemaakt, hoewel deze aan de vrouw toekwamen. De vordering tot terugbetaling was deels verjaard, maar de vrouw mocht het bedrag van €33.000,- verrekenen met haar schuld aan de man. De proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen deels in het ongelijk waren gesteld.
Uitkomst: De vrouw is veroordeeld tot betaling van €85.000,- aan de man, met verrekening van €33.000,- aan belastingteruggaven, en proceskosten zijn gecompenseerd.