ECLI:NL:GHDHA:2017:731
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- A.N. Labohm
- P.B. Kamminga
- A.H.N. Stollenwerck
- Rechtspraak.nl
Nietige verdeling nalatenschap door bewindvoerder en afwijzing vordering erfgenaam
In deze civiele procedure in hoger beroep staat de verdeling van de nalatenschap van de moeder centraal, waarbij appellant (een erfgenaam) het niet eens is met de wijze waarop de bewindvoerders, onder wie geïntimeerde, de nalatenschap hebben beheerd en verdeeld.
De rechtbank had de vorderingen van de bewindvoerders toegewezen en appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag. Het hof stelt vast dat de bewindvoerders niet bevoegd waren om de nalatenschap zelfstandig te verdelen, zoals bepaald in artikel 3:168 lid 2 BW Pro en artikel 3:185 BW Pro, waardoor de verdeling nietig is. De bewindvoerders hadden wel de bevoegdheid om een civiele procedure te starten over de vordering van de nalatenschap op appellant, maar niet om te verdelen.
Het hof oordeelt verder dat de vordering van de nalatenschap op appellant van € 76.518,- voldoende is onderbouwd en niet gemotiveerd is betwist door appellant. Zijn beroep op verjaring wordt verworpen omdat de vordering bij overlijden van de erflaatster opeisbaar was en de procedure tijdig is gestart. Het hof wijst de vorderingen van de bewindvoerders af en compenseert de proceskosten tussen partijen.
Het arrest vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de vorderingen in conventie toewijst, bekrachtigt het voor zover de vordering in reconventie is afgewezen, en bepaalt dat de verdeling alsnog gezamenlijk moet plaatsvinden met inachtneming van gedwongen schuldtoerekening.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor de vorderingen van de bewindvoerders wegens onbevoegdheid, wijst deze af, bevestigt de vordering van de nalatenschap op appellant en compenseert de proceskosten.