Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 maart 2017
DGRP Oudeland B.V.,
Chinees Indisch Restaurant Harbour City,
[naam] ,
[naam] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“te dezen handelend als lasthebster namens eigenaresse.”
“De vigerende huurovereenkomst d.d. 1 november 2000 (…) zal door ondertekening van deze nieuwe huurovereenkomst en nadat huurder aan al zijn verplichtingen uit de nieuwe alsmede de oude huurovereenkomst heeft voldaan, per huuringangsdatum van deze huurovereenkomst worden ontbonden.”
Bijna alle afvoerpijpen zijn slecht gebeugeld of niet gebeugeld, hier door hangen ze door. (…)
Zoals op de foto 1 is te zien moet het afvoerwater van de onderste afvoerpijp naar de bovenste zijn water afvoeren. (tegen schot).
Er bevind zich een afvoerpijp die aan de binnenzijde van het pand is afgezaagd en openstaat. Deze pijp loopt naar de voorzijde van het pand en er is niet te zien of hij nog is aangesloten. (zie foto 5)
Op veel locaties zijn er lekkage sporen te zien.
primair:
Grief 1is gericht tegen de weergave van de vordering in eerste aanleg door de kantonrechter. Die grief zal verder onbesproken blijven omdat het hof de vorderingen hierboven heeft weergegeven en DGRP haar vorderingen in hoger beroep opnieuw heeft geformuleerd.
Grief 2komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurachterstand tot november 2014 niet op DGRP is overgegaan. DGRP voert aan dat zij door cessie de vordering op Harbour City c.s. heeft verkregen. Met
grief 3komt DGRP op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurachterstand die na 28 november 2014 is ontstaan niet kan worden toegewezen omdat DGRP Harbour City c.s. niet in gebreke heeft gesteld.
Grief 4is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de gevorderde boeterente en de boete wegens het niet exploiteren van de bedrijfsruimte niet kunnen worden toegewezen omdat het gaat om een ten tijde van de overdracht opeisbare verplichting die geldt tussen Harbour City c.s. en CBRE. Met
grieven 5 en 6voert DGRP aan dat de kantonrechter ten onrechte de huurovereenkomst niet heeft ontbonden en niet de ontruiming van de bedrijfsruimte heeft bevolen.
Grief 7komt op tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en
grief 8tegen de compensatie van de proceskosten.
grief 1van Harbour City c.s. gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de aanspraken van Harbour City c.s. op grond van het bepaalde in artikel 7:226 BW Pro niet tegen DGRP als nieuwe verhuurder kunnen worden ingesteld. Harbour City c.s. voert aan dat op DRGP ook de verplichting rustte om bestaande gebreken te verhelpen.
Grief 2in het principaal appel slaagt in zoverre.
Grief 1 in het incidenteel appelfaalt daarom, ook als met Harbour City c.s. wordt aangenomen dat de kantonrechter van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan.
Grief 3slaagt daarom.
grieven 5 en 6slagen daarom reeds op grond van de huurachterstand die na de eigendomsoverdracht van de gehuurde bedrijfsruimte is ontstaan. Hetgeen DGRP overigens in het kader van grief 5 naar voren heeft gebracht, kan onbesproken blijven.
Grief 4slaagt in zoverre.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- ontbindt de huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] te Zwijndrecht per de datum van dit arrest;
- veroordeelt Harbour City c.s. hoofdelijk tot betaling van € 3.382,88 per maand te verhogen met indexeringen vanaf 22 maart 2016 tot 31 juli 2018, met de bepaling dat, voor het geval de bedrijfsruimte in deze periode aan een derde is/wordt verhuurd, de door deze derde betaalde huur in mindering strekt op voornoemde betaling;
- veroordeelt Harbour City c.s. hoofdelijk tot betaling van een boete van € 25.000,- in verband met het tekortschieten in de exploitatieplicht;
- veroordeelt Harbour City c.s. hoofdelijk tot betaling van € 53.536,83, betreffende de huurachterstand tot en met november 2014;
- veroordeelt Harbour City c.s. hoofdelijk tot betaling van € 49.818,07, betreffende de huurachterstand van 1 december 2014 tot en met 22 maart 2016;
- veroordeelt Harbour City c.s. hoofdelijk tot betaling van € 26.354,33, betreffende de boeterente van 1 december 2014 tot en met 22 maart 2016;
- veroordeelt Harbour City c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van DGRP tot op 19 februari 2015 begroot op € 700,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt Harbour City c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van DGRP tot op heden begroot op € 5.160,- aan griffierecht, € 77,84 explootkosten en € 2.632,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Harbour City c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van DGRP begroot op € 1.316,-.;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.