Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
31 januari 2017 van de rechtbank Den Haag.
, overgelegd met een Nederlandse vertaling van een beëdigd tolk/vertaler Arabisch, ingeschreven bij de rechtbank Maastricht en Den Haag. Partijen hebben hier over en weer geen bezwaar tegen gemaakt, zodat het hof deze stukken bij zijn beoordeling zal betrekken.
oktober 2015. De minderjarige heeft familiale banden met haar halfbroers- en zusters, die heel hecht zijn. De man stelt dat de vrouw wel degelijk een sociaal leven heeft in [plaats] , hetgeen overigens irrelevant is voor de vraag over de gewone verblijfplaats, temeer nu de vrouw ook in Egypte weinig sociale contacten had. Nu Tsjechië de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is, dient volgens het Tsjechisch recht als recht van de gewone verblijfplaats van de minderjarige te worden bepaald of de man gezagsrecht toekomt onmiddellijk voorafgaand aan het moment van overbrenging van de minderjarige. De man betoogt dat de minderjarige in Egypte is geboren uit een huwelijk van partijen aldaar. De vrouw heeft dit eerder ook erkend. In Egypte wordt polygamie toegestaan. Volgens Egyptisch recht zijn er drie mogelijke systemen en in het algemeen wordt het gezagsrecht in het Decreet-wet 118 van 1952 betreffende de ontzetting uit de ouderlijke macht en in Decreet-wet 119 van 1952 betreffende de wettelijke vertegenwoordiging van handelingsonbekwamen geraadpleegd. Verder geldt het Hanefitische recht omdat partijen moslim zijn. Volgens artikel 1 van Pro het Decreet-wet ligt het ouderlijk gezag bij de man. Daarnaast geldt, volgens het Hanefitische recht, dat de man tevens de wettelijke vertegenwoordiger is. Volgens het Egyptische recht is de man vanaf de geboorte van de minderjarige met het gezag over haar belast. Verder moeten de Tsjechische autoriteiten op grond van artikel 16 van Pro het HKV 1996 het Egyptische recht toepassen om vast te stellen wie van de ouders belast is met het gezag over de minderjarige.
huwelijksakte, maar als een ‘
afschrift huwelijksregistratie’, hetgeen te meer maakt dat het hof het door de man ter zitting overgelegde document niet kan duiden. Ook in het als productie Y overgelegde document ontbreekt het onderschrift ‘ [onderschrift] ’ terwijl de akte voor het overige gelijk is aan de akte die als productie B is overgelegd. Daar komt nog bij dat beide documenten als datum van het huwelijk vermelden ‘ [datum] 2013’, terwijl het huwelijk pas zou zijn geregistreerd op
2014. De man heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Voorts wordt in de door de man overgelegde huwelijksakte melding gemaakt van het geloof van de vrouw: moslim. De man heeft echter ook een document overgelegd waaruit volgt dat de vrouw eerst na de gestelde huwelijksdatum moslim is geworden.