Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 3 januari 2017
[appellant],
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“ik heb geen inkomsten”.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of appellant zijn medehuurderschap van een bedrijfsruimte heeft beëindigd met wederzijds goedvinden of door opzegging. De huurovereenkomst werd oorspronkelijk gesloten tussen verhuurder en twee huurders, waaronder appellant. Appellant stelde dat hij sinds 2000 of 2002 geen huurder meer was, omdat hij zijn aandeel in het gehuurde had beëindigd en dit mondeling met de verhuurder was overeengekomen.
De rechtbank had de huurovereenkomst ontbonden en appellant en de andere huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur. Appellant voerde in hoger beroep drie grieven aan en wijzigde zijn eis, stellende dat hij geen huurder meer was en dat beslag op zijn woning onterecht was gelegd.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor de beëindiging van zijn medehuurderschap. De verklaringen waren onvoldoende en de verhuurder had appellant steeds als medehuurder beschouwd, wat blijkt uit correspondentie, dagvaardingen en betalingsverzoeken. Ook de brief van appellant uit 2004 werd niet als opzegging van de huurovereenkomst aangemerkt. Het beroep op rechtsverwerking werd verworpen.
Daarom werden de grieven afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het beroep van appellant af, waarbij hij wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.