Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 27 juni 2017
Het geding
Beoordeling na cassatie
- Uit r.o. 3.5.1 t/m 3.5.6 van het arrest vloeit voort dat het Bossche hof ten onrechte het bewijsaanbod van [de dochter van een broer van erflater] heeft gepasseerd om de betrokken notarissen, huisarts [naam getuige een] en de specialist in ouderengeneeskunde [naam getuige twee] als getuigen te horen. Tot slot geeft de Hoge Raad het verwijzingshof in r.o. 3.7 (hof bedoeld is 3.6) de instructie om de diverse door notarieel deskundige [naam deskundige] en GZ psycholoog drs. [naam psycholoog] opgestelde schriftelijke verklaringen mee te nemen in zijn beoordeling;
- Opgemerkt wordt dat notaris [volgt naam] ter zitting van het Hof Amsterdam in de tuchtzaak heeft verklaard zich niets meer van het opmaken en passeren van het testament te kunnen herinneren. Dat gold ook voor de getuigen bij het opmaken van het testament. Het (tucht)hof was van mening dat in de klachtenprocedure niet kon worden vastgesteld dat erflater in ernstige mate verstandelijk gehandicapt was, dit ondanks de door [de dochter van een broer van erflater] verstrekte medische verklaringen van huisarts [naam getuige een] en verpleeghuisarts [naam getuige twee] , waaruit blijkt dat erflater onbekwaam was om te testeren. Het (tucht)hof heeft bovendien noch de huisarts noch de verpleeghuisarts [naam getuige twee] gehoord, ondanks uitdrukkelijk verzoek daartoe. Het oordeel van het hof Amsterdam in een tuchtrechtprocedure is niet bindend in een civiele procedure met bovendien andere partijen. [de dochter van een broer van erflater] heeft er dus in deze procedure alle belang bij om de huisarts en de verpleegarts te horen. [naam getuige een] en [naam getuige twee] hebben erflater bij leven goed gekend en huisarts [naam getuige een] ook ten tijde van het opmaken van het testament;
- In de verwijzingsprocedure heeft [de dochter van een broer van erflater] nog ruimte om haar eerdere stellingen te preciseren en met nieuwe producties te onderbouwen (Hoge Raad 25 maart 2011 LJN:BP8991). In dat verband brengt zij de volgende verklaringen in het geding. Een aanvullende verklaring van huisarts [naam getuige een] d.d. 9 januari 2014. Uit zijn verklaring blijkt onder meer dat erflater gedurende deze periode (in feite zijn hele leven) op kenbare wijze zodanig beperkt was in zijn geestesvermogens dat hij ook eenvoudige zaken niet begreep. De heer [naam getuige twee] wijst er verder nog op dat het beperkte ontwikkelingsniveau, zowel intellectueel als sociaal, een ieder op zou vallen die enkele minuten met hem sprak. In de verklaring van [naam deskundige] van 5 maart 2014 gaat hij in op de ongeoorloofde aanwezigheid van de heer [vader van erfgenamen] bij het passeren van het testament. Uit de verklaring van [naam psycholoog] van 8 februari 2014 volgt de voortdurende onbekwaamheid van erflater. In zijn notitie van 12 januari 2016 stelt prof Van Mourik dat alles draait om de vraag of genoegzaam kan worden aangetoond dat erflater structureel niet bij machte was om zijn wil te bepalen;
- In het licht van de bevindingen en verklaringen in de tuchtzaak ziet [de dochter van een broer van erflater] af van het doen horen van de notarissen en betrokken medewerkers van het notariskantoor. Zij handhaaft haar bewijsaanbod tot het doen horen van huisarts [naam getuige een] en verpleeghuisarts [naam getuige twee] omtrent de wilsonbekwaamheid van erflater. In haar bewijsaanbod had [de dochter van een broer van erflater] ook aangeboden om familie van erflater te doen horen over dezelfde thematiek. Zij handhaaft dat aanbod.
- Appellante had nagenoeg geen contact met erflater, behalve tegen het eind van zijn leven toen zij mentor en bewindvoerder werd;
- Enerzijds wordt gesteld dat erflater zodanig gestoord was in zijn geestvermogens dat hij het ontwikkelingsniveau zou hebben van een kind van 6 tot 10 jaar, maar anderzijds kan niet voorbijgegaan worden gegaan aan het feit dat hij vanaf 1977 zelfstandig woonde, relatief ver weg van zijn familie en goed functioneerde;
- Erflater had geen begeleiding vanuit instanties. Hieraan kan zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat erflater heel goed in staat was om zijn leven zelfstandig te leiden en dus helemaal niet ernstig gestoord was in zijn geestesvermogens, althans niet dusdanig ernstig dat hij niet in staat zou zijn geweest om zijn wil te bepalen en de gevolgen daarvan te overzien;
- De Hoge Raad merkt terecht op dat mevrouw [naam psycholoog] niet kan verklaren uit haar eigen waarneming bekende feiten. Hetzelfde geldt voor mr. [naam deskundige] ;
- Het staat niet vast dat de [vader van erfgenamen] bij het ondertekenen van het testament aanwezig is geweest;
- Vast staat dat er tijdens het leven van erflater in ieder geval door drie verschillende notarissen is geoordeeld dat hij voldoende wilsbekwaam en in staat was om de gevolgen te overzien;
- Uit de overwegingen van de Hoge Raad d.d. 13 februari 2015 kan worden geconcludeerd dat appellante toegelaten had moeten worden tot bewijslevering, te weten om door middel van getuigenverhoren aan te tonen dat er sprake was van een causaal verband tussen de stoornis van erflater en het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999. Zulks volgt eveneens uit de conclusie van de procureur-generaal;
- Ten aanzien van de getuigen met een medische achtergrond geldt het volgende: vooropgesteld dient te worden dat vaststaat dat erflater bij leven geen toestemming heeft gegeven aan zijn huisarts/verpleeghuisarts om informatie aan derden te geven over zijn medische omstandigheden. Ten aanzien van de overige aangeboden getuigen geldt het volgende: niet althans onvoldoende wordt duidelijk wat deze getuigen die geen arts zijn nog nader en anders zouden verklaren dan dat zij schriftelijk reeds hebben gedaan;
- Naar aanleiding van de verklaring van de huisarts d.d. 9 januari 2014, die is geschreven na kennisname van het arrest van het hof Den Bosch d.d. 7 mei 2013, volgt niet duidelijk waarom erflater, althans zijn familie, nooit geadviseerd heeft om de thuissituatie van erflater te wijzigen. Zulks bevreemdt erfgenamen, nu de huisarts wel aangeeft dat erflater dusdanig beperkt was in zijn geestesvermogens dat hij ook eenvoudige zaken niet begreep;
- Pas in 2002 is er externe hulpverlening in beeld gekomen in de vorm van de thuiszorg. Geïntimeerden betwisten dat er altijd hulp was van thuiszorg. De thuiszorg bestond uit praktische en bovenal noodzakelijke hulp, te weten het zwachtelen van zijn been;
- Vaststaat dat verpleeghuisarts [naam getuige twee] erflater niet kende op het moment dat het testament werd verleden. Volgens de verpleeghuisarts is er geen aanleiding geweest om een formele beoordeling van wilsbekwaamheid te doen bij erflater, omdat hij zich schikte in de voorgestelde behandeling;
- De getuige [volgt naam] heeft erflater maar een paar keer gezien en gesproken. De getuige E [volgt naam] kwam erflater soms tegen bij haar tante [volgt naam] . De heer [volgt naam] kende erflater niet. De heer [naam getuige drie] is de partner van appellante.