Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest d.d. 28 november 2017
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerstegrief voert [broer een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat genoegzaam is komen vast te staan dat de twaalf schilderijen deel uitmaken van de nalatenschap van erflater, zodat deze moeten worden meegenomen in de verdeling. [broer een] stelt dat hij met de producties die hij bij akte van 10 juni 2009 heeft overgelegd, genoegzaam heeft aangetoond dat van de 14 schilderijen er 12 in zijn kunsthandel aanwezig zijn geweest. Die stukken betreffen deels financiële (aankoop)bescheiden, dus moet het er voor worden gehouden dat de schilderijen door [broer een] zijn aangekocht en dus ook zijn eigendom zijn geweest, en daarom, behoudens tegenbewijs, nog altijd zijn eigendom waren. [broer een] heeft de twaalf schilderijen alleen in bruikleen gegeven aan zijn vader, maar heeft die niet aan hem doorverkocht of geschonken. De rechtbank is op haar oordeel, dat het op de weg van eisers ligt te bewijzen dat de erflater de schilderijen heeft betaald, teruggekomen in een volgend vonnis van 7 oktober 2009, omdat toen duidelijk zou zijn geworden dat de schilderijen niet van [broer een] waren gekocht, maar van derden. Vervolgens is aan [broer een] in het vonnis van 5 maart 2014 niet langer bewijslevering op dit punt toegestaan. Ten aanzien van het punt, dat [broer twee] de schilderijen ten tijde van het overlijden van erflater uit diens woning heeft overgebracht naar zijn woning, staat vast dat dit is gebeurd, dit vanwege de mededeling van [broer twee] hierover op de comparitie van partijen van 17 maart 2008. Dat voor de schilderijen steeds betaald zou zijn (door erflater), is slechts door [broer twee] gesteld maar daarvan is geen bewijs geleverd. [broer een] is al ingegaan op de door de rechtbank genoemde versterkende omstandigheden die tot het oordeel leiden dat niet is komen vast te staan dat de schilderijen van [broer een] waren. [broer een] hoopt alsnog in staat te zullen zijn om aan te tonen dat de schilderijen in de periode voorafgaand aan het overlijden van erflater voor zijn rekening verzekerd zijn geweest. Daaruit moet toch blijken dat hij altijd de eigenaar van de schilderijen is gebleven.
tweedegrief voert [broer een] aan dat de rechtbank het ten onrechte in strijd met de eisen van een goede procesorde heeft geacht om in een later stadium van de procedure de kwestie van een vergoeding voor het gebruik door [broer twee] van de garage aan de [adres] alsnog aan de orde te stellen.