Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 januari 2017
[appellant],
Stichting DE LEEUW VAN PUTTEN,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
€ 18.449,50, met wettelijke rente en kosten. [appellant] heeft dit bedrag als volgt gespecificeerd:
- € 4.500,-- (een ontvreemd geldbedrag dat tussen de kleding zat);
- € 2.895,-- (ontvreemde sieraden);
- € 11.040,-- (beschadigde inboedelgoederen waarvoor forfaitair 2x de standaard-
verhuiskostenvergoeding wordt gevorderd);
- € 24,25 (fotokosten).
Beoordeling van grief 1
Voorop wordt gesteld dat niet wordt geklaagd over het oordeel van de kantonrechter dat geen bewijs is geleverd omtrent de gestelde aanwezigheid van geld en sieraden in de woning.
Het gaat dus in hoger beroep alleen nog over de schadevordering met betrekking tot de inboedelgoederen. Het hof is het met de kantonrechter eens dat [appellant] ook in dit opzicht niet in zijn bewijs is geslaagd. De kantonrechter heeft dit uitvoerig toegelicht, met name in de rechtsoverwegingen 2.7 en volgende. Het hof is het daarmee eens. Anders dan [appellant] stelt spreken de getuigen (en ook hijzelf als getuige) wel degelijk van een normale, gewone, inboedel in een redelijke, maar niet bijzonder goede staat. Dit sluit ook aan op de door [appellant] overgelegde ‘inventarislijst opgeslagen goederen’ van [naam] (productie bij akte eerste aanleg van 26 mei 2015). In die inventarislijst wordt de staat van de inboedel ‘slecht’ tot ‘redelijk’ genoemd. De omstandigheid dat de inboedel wellicht groter dan gebruikelijk was (mogelijk door de hoeveelheid spullen uit opkopingen e.d. die [appellant] op zolder verzamelde – zie zijn verklaring als getuige –) maakt de conclusie van de kantonrechter, die uitging van een inboedel ‘in behoorlijke staat’(rechtsoverweging 2.7.1, slot) niet onjuist. Het hof is het met die conclusie eens.
Ook deze grieven worden verworpen.
Slotsom
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2015;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van DLVP tot op heden begroot op € 711,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.