ECLI:NL:GHDHA:2017:3968
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling ondanks eerdere afwijzing wegens hardheidsclausule
Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €17.598,77. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van de schulden en dat zij haar verplichtingen uit de regeling zou nakomen.
In hoger beroep heeft het hof onderzocht of appellante te goeder trouw was in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hof concludeerde dat een deel van de schulden, zoals een schuld aan de Belastingdienst van €1.773 wegens niet doorgegeven partnerpensioen, niet te goeder trouw was ontstaan. Echter, de verklaring van appellante over de inkomensdaling door het overlijden van haar man en het wegvallen van toeslagen werd wel aannemelijk geacht.
Het hof oordeelde dat appellante haar financiële en persoonlijke omstandigheden onder controle heeft gekregen sinds 2015, met begeleiding, budgetbeheer en cursussen. Hierdoor is de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro van toepassing, wat toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigt. Ook acht het hof aannemelijk dat zij zich zal inspannen haar verplichtingen na te komen.
Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en appellante wordt alsnog toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor uitvoering van de regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst appellante alsnog toe tot de schuldsaneringsregeling.