Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 21 februari 2017
[appellant] ,
EGELINCK B.V.,
Het verloop van het geding
Pleitnota in
Appel). Na afloop van de pleidooien is arrest gevraagd.
De beoordeling van het hoger beroep
in conventiegevorderd (€ 150.000,- minus het in rov. 1.c genoemde bedrag van € 14.400,- =) € 135.600,-, met rente en buitengerechtelijke incassokosten.
In reconventieheeft [appellant] gevorderd, verkort weergegeven:
[appellant] heeft van Egelinck b.v. verkregen totaal € 150.000,-- (…) voor de inrichting (roerend goed) van de winkel [adres 3] (…). Egelinck heeft de lening verstrekt onder de volgende voorwaarden:
8. [appellant] verleent aan Egelinck b.v. het recht van verkoop van de winkel [adres 3] indien door schuldenaar enige verplichting voortvloeiende uit bovenstaande niet wordt nagekomen tegen de vaste prijs van € 416.000,-- kosten voor rekening [appellant] .
De rechtbank stelt voorop dat indien de echtheid van een tekst van een onderhandse akte wordt betwist, de vraag hoe de bewijslast moet worden verdeeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 150 Rv Pro. Dit brengt mee dat als hoofdregel op degene die stelt dat de akte vals of vervalst is, de bewijslast daarvan rust en daarmee het risico dat zulks niet wordt bewezen. Dat betekent dat het in het onderhavige geval aan [appellant] is om te stellen en te bewijzen dat de leningsovereenkomst door Egelinck is vervalst.’
ondertekende’ blijkt en bijvoorbeeld ook tot uitdrukking is gebracht in de Memorie van Toelichting op het Regeringsontwerp (1969) voor het nieuwe, op 1 april 1988 in werking getreden bewijsrecht (Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht, blz. 138) is de akte hetgeen boven de handtekening staat. Niet kan worden gezegd dat de eerste bladzijde van het ’11 september-stuk’, waarop geen enkele handtekening is geplaatst, ‘boven’ de handtekeningen op de tweede bladzijde staat. Hierbij is van belang dat het te makkelijk tot misbruik zou kunnen leiden wanneer teksten op bladzijden die door een partij worden gepresenteerd als voorafgaand aan de bladzijde met de handtekening, zouden worden beschouwd als te zijn geplaatst ‘boven’ die handtekening. Derhalve kan de eerste bladzijde van het ’11 september-stuk’ niet als een ‘akte’ in de zin van artikel 156 lid 1 Rv Pro worden aangemerkt. Dit zou wellicht anders kunnen zijn in het geval dat vaststaat dan wel is vastgesteld dat de eerste bladzijde bij de tweede bladzijde behoort, doch dat geval doet zich hier (nog) niet voor. [appellant] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat hij die eerste bladzijde (en overigens ook de teksten op de tweede bladzijde) niet kent, zie onder meer punt 13 MvG. Verder is er op te wijzen dat de zinsnede op de tweede bladzijde, dat ‘
de overeenkomst (…) uit twee bladzijden (bestaat)’ onder de handtekeningen staat en dus evenmin tot de akte behoort.
Beslissing
7 april 2017om
14.00 uur;