In het principaal appel
5. Beoordeeld moet worden of door [bestuurder 1] en/of [bestuurder 2] (ieder zelfstandig bevoegd bestuurder van Nos Corps) namens Nos Corps tijdens de vergadering van de Raad van Commissarissen (RvC) van BFI van 17 maart 2004 finale kwijting is verleend ten aanzien van de vordering van Nos Corps op BFI betreffende de verkoop
van het onroerend goed van […]. Zoals het hof reeds heeft overwogen, draagt Univeg de bewijslast hiervan.
6. Univeg heeft gesteld dat de vordering tijdens de vergadering van 17 maart 2004 definitief is kwijtgescholden. Nos Corps heeft dat betwist. Volgens haar hebben [bestuurders Nos Corps] tijdens die vergadering wel aangegeven dat zij in principe kunnen instemmen met kwijtschelding, maar verder gold dat een en ander eerst nog moest worden uitgewerkt, met name voor wat betreft de voorwaarde dat er een vangnetvoorziening zou komen voor het geval Nos Corps (en/of MJ Holding), en daardoor [bestuurders Nos Corps] in privé, als gevolg van de kwijtschelding financieel in de problemen zou(den) komen. Univeg erkent dat het haar duidelijk was dat het voor [bestuurders Nos Corps] belangrijk was dat er een vangnetvoorziening zou komen, maar zij betoogt dat die kwestie al tijdens de RvC vergadering van 17 maart 2004 is afgewikkeld, waarna nog tijdens die vergadering een definitieve kwijtschelding heeft plaatsgevonden. Zij voert hiertoe aan dat de vergadering op een gegeven moment is geschorst. Tijdens die schorsing is tussen [bestuurders Nos Corps] namens Nos Corps enerzijds en [A] en [B] namens De Weide Blik N.V. (mede-aandeelhouder van BFI) anderzijds een ‘gentlemen’s agreement’ bereikt waarmee de kwestie van de vangnetvoorziening was opgelost, aldus Univeg. In elk geval behoefde die vangnetvoorziening geen nadere uitwerking of vastlegging om de kwijtschelding onvoorwaardelijk/definitief te doen zijn, aldus Univeg verder.
7. Het hof roept in herinnering dat het in zijn arrest van 16 februari 2016 in r.o. 12 heeft vastgesteld dat het bij de beantwoording van de vraag of aan datgene wat op de vergadering is gezegd het rechtsgevolg kan worden verbonden dat namens Nos Corps finale kwijting is verleend voor de vordering van Nos Corps op BFI, acht moet worden geslagen op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij is aangetekend dat toepassing van dit criterium in dit geval, met name gelet op de verstrekkende gevolgen, niet snel zal kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van (definitieve) kwijtschelding.
8. Voor wat betreft de gang van zaken tijdens de vergadering van 17 maart 2004 heeft Univeg verwezen naar de transcriptie van de vergadering die is opgesteld aan de hand van een bandopname, en met name naar passages na de schorsing. Daarnaast beroept Univeg zich op wat verschillende getuigen die bij de vergadering aanwezig waren hebben verklaard, te weten [bestuurder 1], [A], [B], [C] (hierna: [C]) en [D] (hierna: [D]). [A], [B], [C] en [D] zijn bij de rechtbank als getuige gehoord. Na die getuigenverhoren heeft Univeg de transcriptie van de vergadering van 17 maart 2004 in het geding gebracht. In hoger beroep zijn [C] en [D] nogmaals gehoord. [bestuurder 1], van wie tijdens de procedure bij de rechtbank alleen een schriftelijke verklaring in het geding was gebracht, is in hoger beroep alsnog als getuige gehoord.
9. Het hof acht de transcriptie van de vergadering van 17 maart 2004 van belang, omdat daaruit blijkt wat er tijdens die vergadering door de daar aanwezigen is gezegd. Het hof heeft de meest relevante passages van de transcriptie reeds opgenomen in het arrest van 16 februari 2016, maar zal deze ter wille van de leesbaarheid van dit arrest hier herhalen.
10. Op enig moment vóór de schorsing van de vergadering wordt het volgende besproken (pagina 17/18 van de transcriptie):
“[A] [hof: [A]]: [C] [hof: [C]], even het volgende. Ik heb daar gisteren even al met [bestuurder 1] [hof: [bestuurder 1]] over gesproken. Ik heb daar zelf nog verder over nagedacht. Wat ik zou voorstellen is het volgende. Beide partijen aandeelhouders hebben tegoeden in het bedrijf. Wij onder de vorm van een dividend en [bestuurder 1] en [bestuurder 2] [hof: [bestuurder 2]] in de vorm van tegoeden, de vordering.
[D] [hof: [D]]: 2,3 miljoen geloof ik. Ja, 2,3 miljoen.
[A]: Bij ons is het 1 miljoen en zoveel geloof ik. Dat wordt beiden dat laten we vrijvallen in de winst. En dat we supplementair nog een keer voor 2,2 miljoen euro afboeken of afwaarderen op voorraden en op klanten. (…)
(…)
[bestuurder 1]: Nou, ik heb wel aangegeven dat op zich uiteraard zijn wij voor een dergelijke oplossing. Het is wel van belang dat we even over de voorwaarden praten waaronder zulks gebeurt, want wij hebben natuurlijk ook daar bepaalde belangen tegenover staan waar ik aan hecht omdat ik met [A] en [B] [hof: [B]] ik dat wij dat even onder 8 ogen moeten doen. Dat we alle lagen met elkaar moeten doornemen. Maar het principe, daar zijn we mee akkoord.
(…)
[D]: [A], heb je gehoord wat [bestuurder 1] zei? Hij wil even met [B] en met jou en [bestuurder 2] even gevieren daar zeg maar wat kaders omheen plaatsen. (…)”
Nadat verschillende andere onderwerpen zijn besproken, volgt een schorsing van de vergadering, waarna door [bestuurder 1] het volgende wordt gezegd (pagina 26 van de transcriptie):
“[bestuurder 1]: (…) Ik denk dat ik eerst eventjes wat belangrijks voor de notulen en voor datgene wat wij zojuist hebben afgesproken met [A] en [B] dat we dat eerst eventjes noemen. Dat wij hebben afgesproken dat wij inderdaad wij dat bedrag zullen kwijtschelden zogezegd. Voor ons het bedrag van 2,2 miljoen en nog wat en voor De Weide Blik is het 1,1 miljoen en nog wat denk ik.
[D]: Dus wordt 3,3 miljoen prijs gegeven.
[bestuurder 1]: Ja, wordt prijs gegeven. Ik heb daarbij wel de afspraak gemaakt met [A] en [B] gezegd dat is voor ons een potje wat we achter wat we nog hadden ook gezien een aantal exposures die wij nog hebben. Onder andere richting [naam]. En als het moment natuurlijk daar is en onverhoopt is het zo dat we daar slecht uitkomen dan moeten we wel kunnen terugvallen op BFI of op [A] in ieder geval dat we daarin gesteund worden. [A] stelt er dan wel tegenover dat we dan wel een bepaald soort zekerheid geboden wordt ik zeg nou dat vind ik logisch ik denk dat het enige dat daarvoor in aanmerking komt zijn onze aandelen in BFI. Dus daar willen wij uiteraard netjes mee om gaan als we daar maar de mogelijkheid hebben om dat op termijn hopelijk via toekomstige dividend waar we met zijn allen vreselijk hard aan gaan werken, dat het allemaal weer teruggesluisd wordt. Maar dat we daar op een elegante manier mee omgaan dat we daar niet voortdurend met zorgen over in ons lichaam moeten rondlopen wat vervolgens onze inzet bij de onderneming kan frustreren, en dat moeten we niet hebben, dus als we daar een gerust gevoel over kunnen hebben dan doen we dit – uiteraard zou ik bijna zeggen want de onderneming is ons alles waard – dus dat zijn eigenlijk – kort gezegd denk ik [A] – de afspraken die wij gemaakt hebben. Als jij er nog iets aan toe wilt voegen, dan hoor ik het wel. Maar zo willen we dat gaan doen dus we laten het aan de financiële mensen over hoe dit in het vat te gieten zodat het zo prettig mogelijk uitkomt richting fiscus, banken enz. enz., maar ook naar buiten toe zoals we net aangegeven hebben dat we ook psychologische effecten er zo goed mogelijk uitwinnen en prettig voor de dag komen. Dus dat is dat.”
11. Verschillende personen die bij de vergadering aanwezig waren, zijn als getuigen gehoord. Van de verklaringen van de getuigen aan de zijde van Univeg is het volgende van belang.
- [C], destijds financieel directeur van BFI, heeft in hoger beroep als getuige verklaard dat [bestuurder 1] het eens was met de kwijtschelding, maar dat er alleen nog afspraken moesten worden gemaakt over een soort vangnet, zodat als dingen onverhoeds tegen zouden zitten, [bestuurders Nos Corps] zouden kunnen terugvallen op [A en B]. Met betrekking tot datgene wat [bestuurder 1] blijkens de transcriptie onmiddellijk na de schorsing heeft gezegd, verklaarde [C] dat zijn beleving toen was dat er afspraken waren gemaakt over de kwijtschelding en dat hij begreep dat het treffen van een vangnetvoorziening naar tevredenheid was gebeurd. Hij had geen idee wat de vangnetvoorziening inhield en hij wist niet of die vangnetvoorziening nog moest worden uitgewerkt. Het hof merkt op dat [C], toen hij als getuige bij de rechtbank werd gehoord, heeft verklaard dat de vangnetvoorziening na de vergadering nog separaat zou worden besproken.
- [D], destijds voorzitter van de RvC van BFI, heeft als getuige bij het hof als volgt verklaard. Toen hij blijkens de transcriptie na de eerste opmerkingen van [bestuurder 1] na de schorsing zei ‘dus wordt 3,3 mln prijsgegeven’, was dat omdat hij op dat moment concludeerde dat 3,3 mln was kwijtgescholden. Wat [bestuurder 1] daarna zegt, geeft volgens hem weer dat er bij de familie [bestuurders Nos Corps] liquiditeitsspanningen konden optreden ten gevolge van de kwijtschelding en dat ze wel het uitzicht wilden hebben dat als die zich zouden realiseren, ze dan terug zouden kunnen vallen op BFI en/of [A en B] in de vorm van een lening. Bij de rechtbank heeft [D] als getuige verklaard dat de aandeelhouders tijdens de vergadering hun vorderingen op de vennootschap kwijtscholden, dus ook de achtergestelde vordering van [bestuurders Nos Corps]. [bestuurders Nos Corps] zouden, als zij in financiële problemen zouden geraken, geld kunnen lenen van [A en B]. Het zou kunnen dat de wijze waarop zij zouden kunnen terugvallen op [A en B] nog nader moest worden uitgewerkt.
- [A], destijds commissaris bij BFI, is alleen bij de rechtbank als getuige gehoord [hof: voordat de transcriptie van de vergadering beschikbaar was, waaruit het verloop van de vergadering, met de schorsing, bleek]. Hij heeft verklaard dat de kwijtscheldingen tijdens de vergadering van 17 maart 2004 aan de orde zijn geweest en dat besloten is tot kwijtschelding van de dividendvordering en de vordering van [bestuurders Nos Corps]. Hij herinnert zich geen discussie over de vraag óf er moest worden kwijtgescholden. De enige discussie die hij zich herinnert ging over de fiscaliteit van de kwijtscheldingen.
- Ook [B], destijds commissaris bij BFI, is alleen bij de rechtbank als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat zij niet meer weet hoe de vergadering van 17 maart 2004 is verlopen, maar zij weet wel dat er uiteindelijk overeenstemming is bereikt tussen de verschillende mensen ([bestuurders Nos Corps] en de mensen van Univeg). Zij heeft echter geen concrete herinnering aan de totstandkoming van de overeenstemming.
- [bestuurder 1] is in hoger beroep als getuige gehoord. In 2004 was hij directeur-aandeelhouder van Nos Corps en MJ Holding, twee vennootschappen van de [[...]-groep]; tevens was hij commercieel directeur van een vennootschap behorend tot de Univeg groep. Hij heeft verklaard dat hij zijn eerdere schriftelijke verklaring van 5 december 2013 vóór het verhoor nog had doorgelezen en dat wat hij daar had verklaard klopte. Die schriftelijke verklaring houdt in dat hij de bandopnamen van de vergadering van 17 maart 2004 had beluisterd en dat hij zich het volgende herinnert: “(..) dat de omstandigheden zo waren dat de druk groot was om iets te doen aan de financiële positie van de onderneming. Daarvoor voelden we [hof: [bestuurders Nos Corps]] ons medeverantwoordelijk. Echter op dat moment was ook duidelijk dat met de voorgestelde oplossing (kwijtschelding van onder meer onze vordering), wij onze eigen (privé) financiële positie ernstig zouden ondergraven. (…) Het is daarom dat er op de band te horen is dat ik voorwaarden verbind aan de kwijtschelding teneinde een beroep te kunnen doen op de medeaandeelhouder mocht onze privé situatie door deze kwijtschelding precair worden. (…) Het is na de vergadering van 17 maart 2004 niet tot de gevraagde uitwerking gekomen.”. Tijdens het getuigenverhoor in hoger beroep heeft [bestuurder 1] verder verklaard dat er nog steeds sprake is van belangenverstrengeling: op het moment van het verhoor was hij weliswaar niet meer werkzaam bij Univeg, maar er was wel sprake van financiële banden aangezien [X B.V.] een lening van ca. 1 miljoen heeft bij een vennootschap van de Univeg groep. Hij geeft aan dat hij het niet eenvoudig vindt om een verklaring af te leggen. Hij verklaart dat hij denkt dat hij en zijn broer de vordering van Nos Corps op BFI tijdens de vergadering hebben kwijtgescholden, maar dat daar een voorwaarde aan was verbonden, te weten dat als zij in financiële problemen zouden komen zij zouden kunnen terugvallen op BFI of [A en B]. Op de vraag of die voorwaarde nog nader uitgewerkt moest worden verklaarde hij: “kennelijk wel, als je kijkt naar de e-mail van 19 maart”. In die e-mail, die [bestuurder 1] tijdens het getuigenverhoor heeft overgelegd, schrijft [C] (destijds financieel directeur van Univeg) aan […] (destijds CFO van De Weide Blik):
“Tot slot nog aandacht voor de afspraken tussen de aandeelhouders. Ik begreep van [bestuurder 1] dat hij de overeenkomst met [A] tav de vrijval (opgave) van hun 2 mio vordering verder wil detailleren mbt eventuele toekomstige prive liquiditeitsproblemen.”.
12. Nos Corps heeft van haar kant bij de rechtbank [bestuurder 2] over de kwijtscheldingskwestie doen horen:
- [bestuurder 2] heeft verklaard dat hij de geluidsband van de vergadering van 17 maart 2004 heeft beluisterd en dat zijn broer, [bestuurder 1], tijdens die vergadering wel vier keer de voorwaardelijkheid van de kwijtschelding heeft benadrukt. Zijn broer heeft te kennen gegeven dat, voordat zij akkoord zouden gaan met een eventuele kwijtschelding, zij het er nog over moesten hebben onder wat voor voorwaarden zij akkoord zouden gaan. In dit verband is gesproken over het kunnen terugvallen op De Weide Blik en [A]. Dit terugvallen zou na de vergadering nader moeten worden uitgewerkt. [bestuurder 2] verklaart verder dat er na de vergadering geen enkel contact met hem is geweest over de kwijtschelding. Er is niet kwijtgescholden.
13. Het hof is van oordeel dat Univeg niet is geslaagd in het bewijs dat door [bestuurder 1] en/of [bestuurder 2] namens Nos Corps tijdens de vergadering van 17 maart 2004 finale kwijting is verleend voor de vordering van Nos Corps op BFI. Het volgende is daarvoor redengevend.
14. Uit het hiervoor aangehaalde deel van de transcriptie vóór de schorsing blijkt dat [bestuurders Nos Corps] wel in principe akkoord gaan met kwijtschelding, maar dat voor een definitieve kwijtschelding vereist is dat zij de zekerheid krijgen dat er een vangnetconstructie komt voor het geval zij/hun vennootschappen door kwijtschelding financieel in de problemen zouden raken. De stelling van Univeg dat de kwestie tijdens de schorsing van de vergadering door de bespreking met [A en B] afdoende was opgelost en dat de kwijtschelding daarna definitief was, wordt onvoldoende ondersteund door het hiervoor aangehaalde deel van de transcriptie na de schorsing. Daaruit blijkt immers dat [bestuurder 1] na de schorsing ten aanzien van de vangnetconstructie, waarvan hij de tijdens de schorsing besproken contouren schetst, opmerkt: “
als we daar een gerust gevoel over kunnen hebben, dan doen we dit.”. Dit strookt met de verklaringen van [bestuurders Nos Corps] die erop neerkomen dat aan de door hen gestelde voorwaarde van een adequate vangnetconstructie - ook na de schorsing - nog niet was voldaan en dat deze na de vergadering nog nader uitgewerkt moest worden. Voor zover uit de getuigenverklaringen van [C], [B], [A] en [D] volgt dat (zij hadden begrepen dat) er tijdens de vergadering van 17 maart 2004 wel al definitieve overeenstemming was bereikt, geldt dat Univeg niet heeft aangetoond dat de gang van zaken tijdens de vergadering zodanig was dat dit de zin was die BFI in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de verklaringen en gedragingen van [bestuurders Nos Corps] (namens Nos Corps) tijdens die vergadering mocht toekennen. Ten aanzien van getuige [C] geldt bovendien dat deze bij de rechtbank onder ede heeft verklaard dat de vangnetvoorziening na de vergadering nog separaat zou worden besproken, hetgeen erop wijst dat de vangnetkwestie tijdens de schorsing kennelijk nog niet afdoende was geregeld. Naar het oordeel van het hof wijst de gang van zaken tijdens de vergadering, getoetst aan de Haviltex-maatstaf, in de richting van de door Nos Corps voorgestane uitleg van een voorwaardelijke kwijtschelding.
15. Univeg heeft er nog op gewezen dat uit de notulen van de vergadering van 17 maart 2004 valt op te maken dat sprake is van een definitieve kwijtschelding omdat onder het kopje “Besluit” is vermeld:
“[bestuurders Nos Corps] zullen de € 2,2 miljoen kwijtschelden (…) Afspraak is wel dat [bestuurders Nos Corps] in de toekomst hetzij bij BFI en/of [A] terug kunnen vallen bij financiële calamiteiten in de eigen privé-sfeer.”. Het hof is echter van oordeel dat hiermee niet is aangetoond dat de vordering van Nos Corps tijdens de vergadering is kwijtgescholden. Niet alleen staat er dat [bestuurders Nos Corps] ([bestuurders Nos Corps]) de vordering
zullenkwijtschelden, maar ook is de vermelde afspraak dat in de toekomst kan worden teruggevallen op BFI en/of [A] ([A]) op zich niet inconsistent met de stelling van Nos Corps dat deze afspraak nog nader moest worden uitgewerkt en dat die nadere uitwerking vereist was voor een definitieve kwijtschelding. Dat BFI ervan op de hoogte was dat er nog een nadere uitwerking van de vangnetvoorziening diende plaats te vinden, valt op te maken uit de door [C] op 19 maart 2004 gestuurde e-mail, hiervoor weergegeven bij de verklaring van [bestuurder 1] (zie bij r.o. 11).
16. Univeg heeft voorts aangevoerd dat haar stelling dat Nos Corps tijdens de vergadering van 17 maart 2004 heeft ingestemd met definitieve kwijtschelding, wordt bevestigd door het gedrag van [bestuurders Nos Corps] na deze vergadering. Daartoe voert zij het volgende aan:
- De accountant van BFI, Ernst & Young, heeft een ‘management letter’, gedateerd 6 mei 2004, gestuurd aan de RvC en de directie van BFI inzake de jaarcijfers 2003. Daarin is vermeld dat in de RvC vergadering van 17 maart 2004 is besloten dat Nos Corps afziet van haar vordering van € 2,2 miljoen en dat dat bedrag ten gunste van de resultatenrekening is gebracht in de post ‘overige bedrijfsopbrengsten’. Deze management letter is ook aan [bestuurders Nos Corps] als bestuurders van BFI gestuurd.
- Op enig moment daarna hebben [bestuurders Nos Corps] de jaarrekening 2003, met daarin verwerkt de kwijtschelding, voor akkoord getekend.
- De management letter en de jaarrekening van BFI over 2003 zijn ook uitgebreid besproken tijdens de RvC vergadering van BFI van 13 mei 2004. Bij die vergadering was in ieder geval [bestuurder 1] aanwezig. Hij was dus, als zelfstandig bevoegd bestuurder van Nos Corps, ermee bekend dat de kwijtschelding in de management letter was genoemd en in de jaarrekening van BFI was verwerkt, en hij heeft daartegen niet geprotesteerd.
17. Het hof overweegt hierover als volgt. Nos Corps heeft betwist dat [bestuurders Nos Corps] de management letter hebben ontvangen. [bestuurder 1] heeft als getuige in hoger beroep verklaard dat die brief hem niets zegt en dat hij niet weet of hij hem ontvangen heeft. [bestuurder 2] heeft bij de rechtbank als getuige verklaard dat de brief hem niets zegt en dat hij die destijds niet onder ogen heeft gekregen. Voor wat betreft de ondertekening van de jaarrekening 2003 door [bestuurders Nos Corps] is van belang dat uit die jaarrekening niet valt op te maken dat de kwijtschelding van de vordering van Nos Corps (kennelijk) is verwerkt in de post ‘overige bedrijfsopbrengsten’, ook uit de toelichting bij de jaarrekening blijkt dat niet, zoals door Univeg overigens is erkend. Reeds om die reden is uit de enkele ondertekening van de jaarrekening niet af te leiden dat [bestuurders Nos Corps] daarmee bevestigden dat zij tijdens de vergadering van 17 maart 2004 definitief hadden ingestemd met de kwijtschelding van de vordering van Nos Corps. Voor wat betreft de vergadering van 13 mei 2004 geldt dat uit de notulen van die vergadering wel blijkt dat de jaarcijfers door de accountant zijn toegelicht, maar wat er precies is besproken blijkt daar niet uit. Getuigen [C] en [D] hebben in hoger beroep als getuige verklaard dat de management letter en de kwijtscheldingen door de accountant tijdens de vergadering zijn toegelicht, maar daaruit volgt op zich niet dat die bespreking, waarvan geen transcriptie is overgelegd, aantoont dat Nos Corps tijdens de vergadering van 17 maart 2004 haar vordering al definitief had kwijtgescholden en dat een nadere uitwerking van de vangnetvoorziening daarvoor niet nodig was. Uit de omstandigheid dat in ieder geval [bestuurder 1] bij de mei-vergadering aanwezig is geweest, kan daarom - zonder nadere toelichting - niet worden afgeleid dat tijdens de eerdere vergadering van 17 maart 2004 een (definitieve, onvoorwaardelijke) kwijtschelding heeft plaatsgevonden.
18. Univeg heeft ten aanzien van de vergadering van 13 mei 2004 ook nog betoogd dat de notulen van de voorgaande vergadering van 17 maart 2004 zijn besproken en dat [D] toen heeft opgemerkt, terwijl in ieder geval [bestuurder 1] aanwezig was: “De overeenkomst op pagina 3 met [bestuurder 1] en [bestuurder 2] is zover ik weet helemaal gefinaliseerd.”. Volgens Univeg is dit duidelijk op de bandopnamen van die vergadering te horen.
19. Volgens het hof is niet komen vast te staan dat dit tijdens de vergadering van 13 mei 2004 is gezegd op grond van het volgende. Univeg heeft tijdens de getuigenverhoren in hoger beroep aan getuigen [C], [D] en [bestuurder 1] geluidsfragmenten laten horen van een disc die zij in het geding had gebracht; deze fragmenten waren te horen na 19.02 minuten van deze disc. Allen verklaarden dat de stem die daarop te horen was die van [bestuurder 2] is. De advocaten van Univeg hebben daarop namens Univeg aangifte van meineed gedaan tegen [bestuurder 2]: [bestuurder 2] had als getuige bij de rechtbank verklaard dat hij niet aanwezig was op de vergadering van 13 mei 2004, en met de betreffende geluidsfragmenten - die volgens Univeg van de vergadering van 13 mei 2004 waren - was aangetoond dat deze verklaring onjuist was, aldus Univeg. Naar aanleiding hiervan heeft Nos Corps de geluidsopnamen minutieus geanalyseerd. Volgens Nos Corps blijkt dat het eerste deel van de disc tot 19.01 minuten, welk deel - naar het hof ook heeft geconstateerd - van zeer slechte kwaliteit is, van de vergadering van 13 mei 2004 is, en dat het stuk daarna, dat opeens wel goed te verstaan is, een andere vergadering betreft, namelijk die van 22 mei 2003. Kennelijk heeft de secretaresse een disc met daarop een oudere opname opnieuw gebruikt en die oudere opname gedeeltelijk “overschreven”. Nos Corps heeft dit onderbouwd door de latere, wel verstaanbare passages uit te werken en deze te leggen naast de onderwerpen die volgens de notulen van de vergadering van 22 mei 2003 achtereenvolgens worden besproken (waaronder de notulen van een eerdere vergadering van 19 februari 2003). Het hof stelt vast dat de wel verstaanbare geluidspassages inderdaad overeenkomen met deze notulen van de vergadering van 22 mei 2003. Univeg heeft een en ander daarna niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat het hof ervan uit gaat dat de passages na 19.02 minuten niet de vergadering van 13 mei 2004 betreffen. Het hof stelt vast dat bij 23.38 minuten van deze disc de in r.o. 18 aangehaalde passage voorkomt (zie pagina 5 van productie 6, door Nos Corps overgelegd bij brief van 20 juni 2017). Deze passage is derhalve niet afkomstig van de vergadering van 13 mei 2004, maar van een vergadering van een jaar eerder.
20. Univeg heeft verder aangevoerd dat betekenis moet worden toegekend aan een aan Nos Corps gerichte factuur van 6 mei 2004 van BFI, met als omschrijving “vrijwillige bijdrage in het tegenvallend resultaat na de fusie” voor een bedrag van € 2.268.901. Daarmee is de kwijtschelding boekhoudkundig verwerkt in de administratie van Nos Corps, aldus Univeg. Nos Corps betoogt van haar kant dat zij deze factuur nooit heeft ontvangen en dat deze ook niet in haar boekhouding en jaarstukken is verwerkt; Nos Corps heeft de vordering op BFI steeds in haar jaarstukken opgenomen, ook na 2003. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door Nos Corps, is niet komen vast te staan dat Nos Corps de bedoelde factuur heeft ontvangen, laat staan daarmee heeft ingestemd door verwerking van de kwijtschelding van de vordering in haar boekhouding en jaarstukken, zodat ook hieraan geen argument kan worden ontleend voor de stelling van Univeg dat de vordering tijdens de vergadering van 17 maart 2004 definitief is kwijtgescholden.
21. Gelet op al het voorgaande, ook in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot de slotsom dat Univeg er niet in is geslaagd te bewijzen dat namens Nos Corps tijdens de vergadering van 17 maart 2004 finale kwijting is verleend ten aanzien van de vordering van Nos Corps op BFI betreffende de verkoop van het onroerend goed van […].
slotsom ten aanzien van de vordering van Nos Corps op Univeg
22. In het principaal appel is de conclusie dat de vordering van Nos Corps niet is kwijtgescholden. Dit betekent dat de drie grieven in het principaal appel falen. Gelet op deze uitkomst heeft Nos Corps geen belang meer bij een bespreking van de grieven IV en V in het incidenteel appel.
23. In r.o. 23 van het arrest van 16 februari 2016 heeft het hof in het door Nos Corps ingestelde incidentele appel reeds geoordeeld dat in het geval dat komt vast te staan dat de vordering niet is kwijtgescholden, de veroordeling onder 5.1 van het vonnis van de rechtbank van 11 juni 2014, waarbij Univeg is veroordeeld tot betaling van
€ 1.168.730 vermeerderd met wettelijke rente, zal worden bekrachtigd.