Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 december 2017
Univeg Finance B.V.,
1. Nos Corps Beheer B.V.,
2. M.J. Holding B.V.,
De verdere loop van het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
In het principaal appel
“Tot slot nog aandacht voor de afspraken tussen de aandeelhouders. Ik begreep van [bestuurder 1] dat hij de overeenkomst met [A] tav de vrijval (opgave) van hun 2 mio vordering verder wil detailleren mbt eventuele toekomstige prive liquiditeitsproblemen.”.
als we daar een gerust gevoel over kunnen hebben, dan doen we dit.”. Dit strookt met de verklaringen van [bestuurders Nos Corps] die erop neerkomen dat aan de door hen gestelde voorwaarde van een adequate vangnetconstructie - ook na de schorsing - nog niet was voldaan en dat deze na de vergadering nog nader uitgewerkt moest worden. Voor zover uit de getuigenverklaringen van [C], [B], [A] en [D] volgt dat (zij hadden begrepen dat) er tijdens de vergadering van 17 maart 2004 wel al definitieve overeenstemming was bereikt, geldt dat Univeg niet heeft aangetoond dat de gang van zaken tijdens de vergadering zodanig was dat dit de zin was die BFI in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de verklaringen en gedragingen van [bestuurders Nos Corps] (namens Nos Corps) tijdens die vergadering mocht toekennen. Ten aanzien van getuige [C] geldt bovendien dat deze bij de rechtbank onder ede heeft verklaard dat de vangnetvoorziening na de vergadering nog separaat zou worden besproken, hetgeen erop wijst dat de vangnetkwestie tijdens de schorsing kennelijk nog niet afdoende was geregeld. Naar het oordeel van het hof wijst de gang van zaken tijdens de vergadering, getoetst aan de Haviltex-maatstaf, in de richting van de door Nos Corps voorgestane uitleg van een voorwaardelijke kwijtschelding.
“[bestuurders Nos Corps] zullen de € 2,2 miljoen kwijtschelden (…) Afspraak is wel dat [bestuurders Nos Corps] in de toekomst hetzij bij BFI en/of [A] terug kunnen vallen bij financiële calamiteiten in de eigen privé-sfeer.”. Het hof is echter van oordeel dat hiermee niet is aangetoond dat de vordering van Nos Corps tijdens de vergadering is kwijtgescholden. Niet alleen staat er dat [bestuurders Nos Corps] ([bestuurders Nos Corps]) de vordering
zullenkwijtschelden, maar ook is de vermelde afspraak dat in de toekomst kan worden teruggevallen op BFI en/of [A] ([A]) op zich niet inconsistent met de stelling van Nos Corps dat deze afspraak nog nader moest worden uitgewerkt en dat die nadere uitwerking vereist was voor een definitieve kwijtschelding. Dat BFI ervan op de hoogte was dat er nog een nadere uitwerking van de vangnetvoorziening diende plaats te vinden, valt op te maken uit de door [C] op 19 maart 2004 gestuurde e-mail, hiervoor weergegeven bij de verklaring van [bestuurder 1] (zie bij r.o. 11).
- De accountant van BFI, Ernst & Young, heeft een ‘management letter’, gedateerd 6 mei 2004, gestuurd aan de RvC en de directie van BFI inzake de jaarcijfers 2003. Daarin is vermeld dat in de RvC vergadering van 17 maart 2004 is besloten dat Nos Corps afziet van haar vordering van € 2,2 miljoen en dat dat bedrag ten gunste van de resultatenrekening is gebracht in de post ‘overige bedrijfsopbrengsten’. Deze management letter is ook aan [bestuurders Nos Corps] als bestuurders van BFI gestuurd.
- Op enig moment daarna hebben [bestuurders Nos Corps] de jaarrekening 2003, met daarin verwerkt de kwijtschelding, voor akkoord getekend.
- De management letter en de jaarrekening van BFI over 2003 zijn ook uitgebreid besproken tijdens de RvC vergadering van BFI van 13 mei 2004. Bij die vergadering was in ieder geval [bestuurder 1] aanwezig. Hij was dus, als zelfstandig bevoegd bestuurder van Nos Corps, ermee bekend dat de kwijtschelding in de management letter was genoemd en in de jaarrekening van BFI was verwerkt, en hij heeft daartegen niet geprotesteerd.
In het incidenteel appel van MJ Holding
“Het spijt me, maar ik heb hier absoluut geen tijd voor.”Het beeld dat uit deze stukken naar voren komt (MJ Holding verzoekt afgifte van stukken, maar Univeg voldoet daar niet aan), wordt bevestigd in de getuigenverklaringen afgelegd bij het hof. Uit de getuigenverklaringen van [bestuurder 2] en [F] volgt dat er namens MJ Holding is gevraagd om afgifte van bewijsstukken, nodig voor het incasseren van geretrocedeerde vorderingen, maar dat aan de verzoeken niet is voldaan. [F] merkt in zijn getuigenverklaring op dat de reactie op de verzoeken om stukken was dat men geen tijd had, dat het teveel werk was en dat men er niet aan begon - wat overeenkomt met de hiervoor weergegeven reactie van […]. [F] verklaart als getuige dat hij op een gegeven moment zelf bij BFI is gaan zoeken omdat hij geen medewerking kreeg (maar dat hij niet heeft gevonden wat hij zocht). [G], die bij Univeg is blijven werken nadat [bestuurder 2] weg was gegaan en die zich tot het moment dat [bestuurder 2] bij de Univeg groep wegging bezig heeft gehouden met de incassering van de aan MJ Holding overgedragen vorderingen, herinnert zich dat zowel [F] als [I] van NC&T Incasso hem benaderd hebben met de mededeling dat zij meer stukken nodig hadden. [I] heeft hem zelfs verschillende keren benaderd en was gefrustreerd dat hij de dossiers van MJ Holding niet kreeg. [G] heeft hem doorverwezen. De door Univeg voorgebrachte getuige [E] heeft verklaard dat er wel stukken aan [I] van NC&T Incasso zijn gegeven, maar hij verklaart ook dat [I] zelf is gaan zoeken in een ruimte met kratten met CMR’s omdat het best wel lang duurde voordat hij gegevens kreeg en er niet op stel en sprong mensen beschikbaar waren die stukken voor hem konden opzoeken (en hij weet niet of [I] alles wat hij zocht heeft gevonden).