ECLI:NL:GHDHA:2017:351

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
1 februari 2017
Publicatiedatum
16 februari 2017
Zaaknummer
22-002580-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep na intrekking grieven

De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor meerdere tenlasteleggingen, met aftrek van voorarrest. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. Tijdens de regiebehandeling op 16 november 2016 werd het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd.

Op 24 januari 2017 berichtte de raadsman van de verdachte dat alle eerder ingediende grieven en die ter zitting geformuleerd waren, werden ingetrokken. Dit had tot gevolg dat de aanvankelijk opgegeven grieven tegen het vonnis niet langer bestonden.

Het hof oordeelde dat deze situatie gelijkgesteld kon worden aan intrekking van het hoger beroep zoals bedoeld in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarom zag het hof geen reden om de zaak inhoudelijk te behandelen en verklaarde het de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Den Haag op 1 februari 2017, waarbij de verdachte niet langer in hoger beroep kon procederen.

Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep na intrekking van alle grieven.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002580-16
Parketnummers: 09-827209-15 en 09-048862-15
Datum uitspraak: 1 februari 2017

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op
[geboortejaar] 1977, thans gedetineerd in PI Rijnmond - Gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.
Waar hierna wordt gesproken van zaken met onderscheiden parketnummers is dat een administratieve aanduiding, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan hetgeen rechtens volgt uit de ter terechtzitting in eerste aanleg bevolen voeging van die zaken.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827209-15 onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken. De verdachte is in eerste aanleg ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827209-15 onder 1 subsidiair (het hof begrijpt: tweede cumulatief/alternatief), 2 en 3 primair en ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-048862-15 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Op 16 november 2016 heeft een zogenoemde regiebehandeling plaatsgevonden. Het onderzoek ter terechtzitting is toen geschorst voor onbepaalde tijd.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2017 gevorderd dat de niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Na aanvang van de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof kennis genomen van een e-mailbericht d.d. 24 januari 2017 van de raadsman van de verdachte aan het hof en de advocaat-generaal, waarin wordt medegedeeld dat de verdachte alle eerder in de appelschriftuur en ter zitting geformuleerde grieven intrekt, welke intrekking er kennelijk toe strekt daarmee zoveel mogelijk de toestand teweeg te brengen die zou zijn ontstaan door intrekking van het hoger beroep ware dit nog mogelijk geweest.
Het hof stelt vast dat de aanvankelijk opgegeven grieven tegen het vonnis waarvan beroep niet langer bestaan. Onder deze omstandigheden doet zich naar oordeel van het hof een situatie voor die op één lijn te stellen is met die welke is bedoeld in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gehoord de advocaat-generaal en gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 februari 2017.