ECLI:NL:GHDHA:2017:3472

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2017
Publicatiedatum
6 december 2017
Zaaknummer
200.201.378/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 RvArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht in erkenningsprocedure

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de man de biologische vader is van de minderjarige. De vrouw had de erkenning van het vaderschap aangevochten en verzocht om vernietiging daarvan. Het hof stelde vast dat vernietiging alleen mogelijk is indien de vrouw bewijst dat de man niet de biologische vader is. De vrouw slaagde er niet in om een begin van bewijs te leveren.

Het hof had een DNA-onderzoek gelast, maar de vrouw zorgde er niet voor dat de minderjarige tijdig aanwezig was voor de afname van het DNA-monster, waardoor het onderzoek niet kon worden uitgevoerd. Hierdoor kon de vrouw niet voldoen aan haar bewijslast en werd het hoger beroep afgewezen.

Daarnaast oordeelde het hof dat de vrouw de man onnodig in gerechtelijke procedures heeft betrokken, zonder enig bewijs te leveren, en daarmee misbruik van procesrecht maakte. Dit was ook in strijd met de belangen van de minderjarige. Daarom werd de vrouw veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op €2.101.

De bestreden beschikking werd bekrachtigd en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 29 november 2017
Zaaknummer : 200.201.378/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-4673
Zaaknummer rechtbank : C/10/478205
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.C. Bekkering te Rotterdam,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag.
Als belanghebbende is aangemerkt:
mr. drs. H. Vrijhof,
kantoorhoudende te Rotterdam,
in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de nader te noemen minderjarige,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In verband met het bepaalde in artikel 44 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de advocaat-generaal van het ressortsparket Den Haag,
hierna te noemen: het openbaar ministerie.
VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 18 oktober 2017, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die tussenbeschikking is bepaald dat een DNA-onderzoek zal worden verricht ter beantwoording van de vraag of [de man] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , de biologische vader is van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid. Daarbij is bepaald dat de man en de vrouw hun medewerking aan dit onderzoek zullen verlenen op de in rechtsoverweging 11 beschreven wijze en binnen de aldaar vermelde termijnen. Tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijd uit te voeren is benoemd mevrouw dr. M. Hidding, verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Einsteinweg 5, 2333CC Leiden, telefoon 071-528 4696, www.verilabs.nl. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Op 7 november 2017 is bij het hof een brief van 6 november 2017 ingekomen, waarin de deskundige het hof mededeelt dat aan de vrouw een oproep is gezonden om een afspraak voor de DNA-afname te plannen, maar dat de deskundige niets van de vrouw heeft vernomen.
Het hof heeft het bericht van de deskundige van 6 november 2017 aan partijen verzonden en hen in de gelegenheid gesteld om daarop voor 15 november 2017 te reageren. Daarbij heeft het hof partijen medegedeeld dat het hof in beginsel op 29 november 2017 een beschikking zou nemen.
Van de zijde van de man is op 13 november 2017 een reactie op het bericht van de deskundige ingekomen. Van de zijde van de vrouw heeft het hof geen reactie ontvangen.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. Zoals in rechtsoverweging 10 en 11 van de tussenbeschikking uiteengezet, is vernietiging van erkenning zoals door de vrouw verzocht uitsluitend mogelijk indien de man niet de biologische vader van de minderjarige is, rust op de vrouw de bewijslast ten aanzien van haar stelling dat de man niet de biologische vader van de minderjarige is en heeft de vrouw van die stelling naar het oordeel van het hof nog geen begin van bewijs geleverd.
2. Nu de vrouw heeft nagelaten ervoor zorg te dragen dat de minderjarige uiterlijk op 31 oktober 2017 bij de afnamelocatie van Verilabs aanwezig zou zijn voor afname van een DNA-monster, is uitvoering van het door het hof gelaste DNA-onderzoek feitelijk onmogelijk. Zoals reeds in de tussenbeschikking is overwogen, leidt dit ertoe dat het hof het hoger beroep zal afwijzen omdat de vrouw niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan.

Proceskosten

3. In artikel 237, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd in - kort samengevat - procedures van familierechtelijke aard. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
4. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de man volstrekt nodeloos in gerechtelijke procedures betrokken. Zoals hiervoor overwogen heeft de vrouw nog geen begin van bewijs geleverd van haar stellingen, ondanks de zowel in eerste aanleg als tijdens de procedure in hoger beroep gelaste deskundigenonderzoeken. Bovendien heeft de vrouw in de periode tussen de uitspraak van de bestreden beschikking - op 15 juli 2016 - en de behandeling van het verzoek in hoger beroep - 5 oktober 2017 - in het geheel niets ondernomen om haar stelling middels DNA-onderzoek te bewijzen, hetgeen ook buiten rechte mogelijk was geweest. Het betrekken van een partij in een procedure zonder een begin van bewijs van essentiële stellingen te leveren, is naar het oordeel van het hof te kwalificeren als nodeloos procederen.
5. De handelswijze van de vrouw wekt bovendien op zijn minst de indruk dat de onderhavige zaak door de vrouw uitsluitend is gebruikt om het verzoek tot omgang dat de man bij de rechtbank Rotterdam aanhangig heeft gemaakt, te frustreren en te traineren. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw daarmee misbruik gemaakt van haar procesrecht. Tevens acht het hof dit gedrag evident in strijd met de belangen van de betrokken minderjarige.
6. Dit alles leidt ertoe dat het hof het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten zal toewijzen. Nu de vrouw bij bestreden beschikking reeds is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en tegen dat onderdeel van de bestreden beschikking geen hoger beroep is ingesteld, zal het hof de vrouw thans uitsluitend veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
7. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de man op
griffierecht € 313,-
salaris advocaat
€ 1.788,- +
totaal € 2.101,-.
8. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt de vrouw in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 2.101,-;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, D. Wachter en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2017.