ECLI:NL:GHDHA:2017:3296
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- C.M. Warnaar
- O.I.M. Ydema
- N.P.C. van Wijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmacht Nederlandse rechter bij adoptieverzoek minderjarige woonachtig in het buitenland
Verzoekers, een vader en moeder woonachtig in Brazilië, verzochten het hof om een adoptie van hun minderjarige kind naar Nederlands recht uit te spreken. De rechtbank had dit verzoek afgewezen en erkende alleen de Braziliaanse adoptie in Nederland.
In hoger beroep stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het adoptieverzoek, gezien het feit dat zowel de verzoekers als de minderjarige in Brazilië wonen. Het hof beoordeelde dit aan de hand van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin de voorwaarden voor rechtsmacht bij verzoekschriftzaken zijn neergelegd.
Hoewel de vader de Nederlandse nationaliteit bezit en de verzoekers hun verbondenheid met Nederland benadrukten, vond het hof dit onvoldoende om rechtsmacht aan te nemen. De plannen om in de toekomst naar Nederland te verhuizen waren te vaag en onvoldoende concreet. Daarom oordeelde het hof dat de zaak onvoldoende verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover deze de minderjarige betreft en verklaarde de Nederlandse rechter onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren op 15 november 2017.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van het adoptieverzoek van de in Brazilië woonachtige minderjarige.