ECLI:NL:GHDHA:2017:2882
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening kinderalimentatie in hoger beroep
Partijen zijn ouders van twee minderjarige kinderen en hebben een convenant waarin kinderalimentatie is vastgesteld. De man verzoekt in hoger beroep om de kinderalimentatie per 1 april 2017 voorlopig op nihil te stellen wegens gewijzigde fiscale regels, dalend inkomen en schuldenlast. De vrouw betwist de financiële noodzaak en stelt dat de man voldoende draagkracht heeft.
Het hof overweegt dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen bij een spoedeisend belang en voldoende samenhang met de hoofdzaak. Hoewel de man zijn verzoek samenhangend heeft ingediend, is zijn prognose van het inkomen onvoldoende onderbouwd en is niet aangetoond dat schulden binnen afzienbare termijn moeten worden afgelost.
Het hof acht dat de man redelijkerwijs de afloop van de bodemzaak kan afwachten en dat het belang van de vrouw bij kinderalimentatie zwaarder weegt. Daarom wijst het hof het verzoek tot voorlopige voorziening af en compenseert de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tot nihilstelling van kinderalimentatie af wegens ontbreken van spoedeisend belang.