ECLI:NL:GHDHA:2017:2858
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- O.I.M. Ydema
- A.N. Labohm
- L.N.A. van Veen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep alimentatie: ontslag op staande voet geen verwijtbaar inkomensverlies
In deze zaak staat de alimentatieplicht van de man centraal na zijn ontslag op staande voet bij zijn werkgever. De man was sinds 2006 in dienst bij het bedrijf en betaalde kinderalimentatie van €500 per kind en partneralimentatie van €968 per maand. Na een conflict over werktijden, veroorzaakt door zijn zorgtaken, werd hij op 2 oktober 2015 op staande voet ontslagen. Dit ontslag werd door de kantonrechter en het hof bevestigd, waardoor de man geen recht had op een WW-uitkering.
De man verzocht het hof om de alimentatieverplichtingen te herzien en op nihil te stellen vanwege het inkomensverlies. De vrouw betwistte dit en stelde dat het inkomensverlies verwijtbaar was, onder meer omdat de man geen redelijke pogingen had gedaan om zijn situatie te verbeteren. Het hof oordeelde echter dat het ontslag voortkwam uit een arbeidsconflict waarin beide partijen een rol speelden, mede door het niet nakomen van werktijden vanwege de zorgtaken van de man. Dit inkomensverlies werd daarom niet als verwijtbaar beschouwd.
Het hof stelde vast dat de man sinds 2 oktober 2015 feitelijk geen inkomen had en vanaf 1 januari 2017 een bijstandsuitkering ontvangt. Gezien zijn draagkracht en het feit dat hij geen verwijt treft, werd de alimentatie met ingang van 2 oktober 2015 op nihil gesteld. De eerdere beschikking werd vernietigd en de nieuwe beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kinder- en partneralimentatie van de man worden met ingang van 2 oktober 2015 op nihil gesteld wegens niet-verwijtbaar inkomensverlies.