Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,
[appellant 3] ,
[appellant 4] ,
[appellant 5] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
[geïntimeerde 3] ,
Onder meerwaarde verstaan partijen het verschil tussen de basiswaarde (huidige waarde van EUR 1.000.000,—) en de koopprijs, welke de eigenaren na realisatie van een onherroepelijke bestemmingsplanwijziging zullen ontvangen van een commerciële derde partij (een ontwikkelaar, een investeerder, een aannemer, etc.).
Afdracht door de eigenaren van 10% van de meerwaarde zal uitsluitend geschieden op het moment dat de eigenaren het gerealiseerde grondperceel (of delen daarvan) hebben kunnen verkopen en in eigendom hebben overgedragen aan een derde partij.
“Kortom, mits er een goed onderbouwd plan is opgesteld en uitgedacht, is het altijd mogelijk om de bestemming van een locatie te veranderen.”
Grief Ikomt op tegen de overweging dat K3Delta als aannemer betrokken is bij het project Rotterdamsebaan. De rol van K3Delta is een andere. Zij is in gesprek met een onderaannemer over de afname van de grond, maar is niet zelf betrokken als aannemer. Het hof zal met de in de toelichting op grief I gegeven uiteenzetting over de rol van K3Delta in de verdere beoordeling rekening houden. Daarmee behoeft grief I geen verdere bespreking. Datzelfde geldt voor de reactie van [geïntimeerden] dat sprake is van een erkenning waarop niet kan worden teruggekomen, aangezien dit feit, zoals hierna zal blijken, voor de beslissing niet relevant is.
Grief IIkomt op tegen rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat niet kan worden aangenomen dat de grond die ontstaat door de uitvoering van het plan geschikt is voor het beoogde doel. [appellanten] voeren aan, onder verwijzing naar het rapport WB, dat alle onzekerheid over de vervuiling van de grond en de mogelijkheden tot toepassing daarvan is weggenomen.
Grief IIIis gericht tegen rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat het project tot waardevermeerdering zal leiden. Met
grief IVkomen [appellanten] op tegen rechtsoverweging 4.9, waarin de voorzieningenrechter vijf onderdelen van de concept-SOK heeft opgenomen en heeft geconcludeerd dat de positie van K3Delta onevenredig veel sterker is dan die van de deelgenoten.
Grief Vkomt op tegen de afwijzing van de vorderingen als zodanig.
Grief Iis gericht tegen het oordeel dat er sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Met
grief IIbetogen [geïntimeerden] dat de vordering van [appellanten] niet moet worden beoordeeld aan de hand van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, maar aan de hand van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zodat moet worden beoordeeld of de weigering om mee te werken aan de totstandkoming van de SOK, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Grief IIIkomt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het feit dat de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend, niet relevant is, terwijl
grief IVis gericht tegen het oordeel dat in beginsel moet worden aangenomen dat grond (veel) meer waarde in het economisch verkeer heeft dan water. Met
grief Vkomen [geïntimeerden] op tegen de overweging van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.11 dat het dempen van de plas en het geschikt maken voor realisatie van bedrijven op zich als een redelijk alternatief voor de huidige aanwending van [de Plas] kan worden gezien.