ECLI:NL:GHDHA:2017:277
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- A.H.N. Stollenwerck
- I. Obbink-Reijngoud
- B. Breederveld
- Rechtspraak.nl
Geen rechtsmacht voor verdeling huwelijksgemeenschap na overeenstemming partijen
In deze zaak stond de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen centraal na hun echtscheiding. De vrouw kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin haar verzoek tot verdeling van de gemeenschap van goederen was afgewezen. De rechtbank had eerder de behandeling van de verdeling aangehouden om partijen de gelegenheid te geven in onderling overleg tot afspraken te komen.
Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep bereikten partijen overeenstemming over de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, met uitzondering van een betwiste schuld aan een derde partij. Het hof wees erop dat de verdeling van gemeenschapsschulden niet mogelijk is en dat partijen na ontbinding een gelijke draagplicht hebben voor dergelijke schulden, hetgeen partijen accepteerden.
Gezien de volledige overeenstemming over de verdeling kon het hof het verzoek van de vrouw om de verdeling vast te stellen niet toewijzen, omdat volgens artikel 3:185 lid 1 BW Pro de rechter geen rechtsmacht heeft indien partijen het eens zijn. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap af omdat partijen overeenstemming bereikten.